Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vóór men uitgaat ter vischvangst. De priester-toovenaar neemt een hoeveelheid bladeren van een bepaalde plant en roostert die in de stookplaatsen. Den volgenden dag worden deze bladeren uitgestrooid naast de voorouderschedels, welke men nog vooraf versierd heeft. Al de visschers, gewapend met hun vischsperen, staan op den heiligen grond in twee rijen geschaard, terwijl de toovenaar zingend bidt voor een goede vangst Na elk couplet uit de menigte een kreet van goedkeuring. Iets dergelijks vindt plaats voor de jacht, voor den oogst voor regen bij langdurige droogte, voor zonneschijn bij dagenlange bewolking. Ook voor den oorlog om een helder oog, opdat ze den vijand spoedig mogen zien en hun speer goed kunnen werpen: voor een scherp gehoor, opdat ze hun vijand spoedig hooren, enz. Nimmer zal men iets doen, zonder de voorvaderen om hun bijstand te smeeken. Hierbij toonen de Caledoniërs zich uitermate practisch. Immers voor den meest devoten mensch is het eenvoudig onmogelijk dag en nacht zonder ophouden te bidden. Welnu, de inlanders hebben hierop een vernuftige en afdoende methode verzonnen om hun gebeden voort te zetten ook al hebben ze zelf de grafspelonk reeds verlaten. Voor dit doel maken ze houten beelden van diverse lengte, ruw besneden en beschilderd, omwonden met doeken of kleedingstukken der inwoners, versierd met schelpen, enz. Deze beelden worden in de grafkamers geplaatst of in de holen, waar de schedels der voorouders en dus hun zielen verblijf houden. Door zulk een beeld te plaatsen willen de inboorlingen bidden om de bijzondere gunst hunner voorouders voor hun zelf en hun familie, daarbij denkende, dat deze „gebedsbeelden" hun wenschen en verzoeken op een of andere wijze overnemen en hun gebeden voortzetten ook al zijn de vragers zelf reeds lang weer tot hun dagehjksche bezigheden teruggekeerd.

Voorts merken we een soort ruwe symboliek op in de verschillende vormen en bijzonderheden dezer gebedspalen. Een zeer harde houtsoort zou een krachtigen bidder aanduiden; een bijzonder groote paal, welke alle andere „beelden" overtreft in lengte, vertolkt den wensch dat hij, voor wiens zaak de paal werd opgericht, al zijn rivalen mag overtreffen in het smeeken om de gunst der voorvaderen, enz. Is iemand ziek, dan wordt een familielid (nimmer een vreemde, immers deze heeft geen „contact" met de geesten der voorouders van den patiënt) aangewezen om hem te genezen door den magischen kracht van den adem en het speeksel. Om hiertoe echter in staat te zijn, gaat de „geneesheer" allereerst naar 't familielijkenhuis en legt eenige suikerrietstengels naast de schedels zeggende: „Hier leg ik eenige stengels voor U neer, opdat ik kracht mag ontvangen om door mijn beademing onzen kranken broeder te herstellen". Daarna 148

148

Sluiten