Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in 1594 trok. In het westelijke veen bestond een overgang bij Bakkeveen, waar thans de drie noordelijke provincies aan elkaar grenzen^ Evenals op den zuidelijken overgang de Ommer-Schans lag. lag hier de Zwartendijker Schans. Een schans bij den bovenloop van de Linde doet vermoeden, dat ook daar een toegangsweg tusschen de venen van Appelsga en die verder zuidwaarts gelegen moet zijn geweest

Behoefte aan grenslijnen kreeg men eerst toen het veen werd geëxploiteerd. Ze werden eerst vastgelegd na 1600; in 1615 werd op last van Willem Lodewijk de bekende Jan Sems-lijn getrokken door den landmeter van dien naam. en wel van de Wolfsbergen tot bij ter Apel waar de rechte lijn van richting veranderde door de kloostergoederen, die reeds aan de Stad behoorden.

Een rechte lijn vormt tevens de grens van Ter Apel naar het Schoonebeker diep. Ook de andere grenslijnen bestaan voor een groot gedeelte uit zulke rechte stukken, die meestal van het eene naar het andere zandruggetje (tang) zijn getrokken.

§ 3 Bouu; en oppervlaktevormen. Boringen, door de Rijks-Opsporing van Delfstoffen») verricht, leverden tot resultaat, dat bij Zuid-Bargenet krijt bereikt werd op 422^ M. diepte, waardoor de kans, om op bereikbare diepte steenkolen of zout te vinden, niet groot meer werd. Het knjt werd bij Koevorden (de Scheere) bereikt op 318 M.

In den tertiairen tijd. toen ook Drente een deel van den zeebodem vormde, vond een sterke aanvoer van slib. zand en grint plaats uit het Z O waardoor de zeebodem opgehoogd werd. Deze was echter met in rust, maar daalde, dan weer rees hij. Gevolg was een afwisseling van rivier- en zeesedimenten. Dit tertiair werd op bovengenoemde plaatsen aangeboord, resp. op 94 en 100 M. diepte Bij Noord/aren bereikte men het tertiair op een veel grootere diepte, n.1. op 175 M.

Bij het begin van den diluvialen (pleistocenen) tijd was Drente een kustgebied. De kust verplaatste zich voortdurend steeds verder westwaarts. De oudste lagen bestaan uit fijnere zanden, leem of klei. Daarop liggen grovere zand- en grintafzettingen, die voor het verkrijgen van goed drinkwater van groote beteekenis zijn. De bovengrens van deze lagen hgt m de buurt van Koevorden tusschen 9 en 20 M.; bij Dalen oP 22 a 24 M. diepte Noordwaarts daalt ze (bij Gasselte ± 60 M., Zuidlaren ±64M.)s terwijl in het W. de bovengrens van deze grove lagen voorkomt: bi, Meppel en den Bisschopsberg op ± 10 è 20 M. diepte: bij Hoogeveen op ± 15 M.. 168

Sluiten