Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is door alluviale (holocene) veranderingen, inzonderheid veenvormingen en zandstuivingen, gewijzigd.

Het effen grondmoreene-landschap, dat we meest voor ons hebben, wijst volgens Wunderlich er op, dat het ijs zich betrekkelijk snel moet hebben teruggetrokken. Een deel van den Hondsrug is op te vatten als een tijdelijke eindmoreene, het is echter hoogstens een stuwwal: de vaak geringe dikte van het keileem (ten N.O. van Gieten zelfs niet 1 M.!) wijst er op. Een ander deel is de westelijke steilrand van het oerstroomdal van de Eems.

Tot de holocene vormingen zijn te rekenen: a. beekbezinking in de buurt van Koevorden; b. een soort overgangsveen (groengronden) in de kleinere smeltwaterdalen, waarin thans de stroompjes een alluviaal bed hebben uitgeschuurd; c. de groote venen aan de grenzen van het Landschap (evenals dat in de Laagte van Schoonoord), waarvan verschillende gedeelten begonnen zijn als laagveen. Deze venen hebben zich ontwikkeld in de groote smeltwaterdalen. Waar een minder goede afwatering was en de bodem het water slecht doorliet (zooals daar, waar het keileem dicht aan de oppervlakte lag) kwam het grondwater soms aan de oppervlakte en vormde zich laagveen, dat later bedekt werd met overgangsveen en hoogveen. Op verschillende plaatsen blijkt de hoogveenvorming een tijdlang onderbroken te zijn geweest door een ietwat drogeren tijd, waaraan de z.g. grenshorizon herinnert. De hgging van het Schoonoordsche Veen is merkwaardig: het ligt in de laagte tusschen de hoogtelijnen van 20 M. van den Hondsrug en van het Ellertsveld en is waarschijnlijk gevormd in den tijd, dat het Voorste Diep van de Hunze zijn doorbrekingsdal door den Hondsrug nog niet voltooid had.

d. Het ontstaan der zandstuivingen is voor een groot deel toe te schrijven aan den invloed van de daling van het grondwater, zoowel door uitschuring van een dal, als door klimatologische oorzaken. Voorbeelden van het le geval zijn de vele zandstuivingen op den Oostrand van den Hondsrug en ook in het Westen van Drente, waar het grondwater meer helt dan de bodem.

Niettemin heeft de mensch hier veel invloed op uitgeoefend.

Zoo had een goed georganiseerd bestuur in de le helft der 19e eeuw het klaargespeeld, twee groote dennenbosschen aan te leggen in de buurt van Drouwen; deze zijn omstreeks 1870 verdwenen, en thans gelukt het aan den Oranjebond van Orde, de daar ontstane zandstuivingen te beteugelen (zie fig. 3). Waar thans het Hooghaler Zand zich uitstrekt, lag 70 jaar geleden een groot bosch. In de zanden van Lhee bij Dwingeloo is het 170

Sluiten