Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Staatsboschbeheer bezig met het beteugelen ervan. Wellicht hebben we in de schapen, die langs de breede schaapsdriften trokken, en die met hun pooten alle planten stuk trapten, een oorzaak te zien, dat de wind hier vat kon krijgen op het losse zand.

Fossiele duinen, waarschijnlijk ontstaan tijdens de periode van den grenshorizon in het veen, vindt men bij Zeegse (fig. 4) en langs den oostkant van het Schipborger Diep. De laatste bedekken ouder veenmosveen, terwijl die bij Zeegse een veen omsluiten (behalve in het Westen), dat uit jonger veenmosveen bestaat. Zij moeten dan met Oostenwinden ontstaan zijn: het hoefijzer o.a. is naar het Oosten gekeerd.

Uit een bodemkundig oogpunt dient nog gewezen te worden op het voorkomen van de heideplag of zure humus, die tallooze gedeelten bedekt, waardoor het volgende profiel ontstaan is: boven de zure heideplag, daaronder loodzand, daaronder, soms in aderen, soms in vrij dikke lagen, wat men in Drente noemt de koffiedik, de Ortstein.

Bij het in cultuur brengen zal dan ook meest diep geploegd moeten worden, om deze oerbank te breken en (door de vorst) mul te maken.

§ 4. Vegetatie. In de thans nog voorkomende flora wijzen enkele planten op den tijd na het terugtrekken van het landijs. Het zijn dus relicten. Uit den toendra(dryas)tijd zijn nog aanwezig: kraaiheide (Empetrum nigrum), Zevenster (Triëntahs), wolverlei (Arnica montana), Zweedsche kornoelje (Cornus suecica) en Noorsche Steenbreek (Saxifraga).

Op den dryastijd, die als afzonderlijke periode in Nederland niet is aangetoond, volgde de berken-tijd. In ons land verschijnen berk en den ongeveer gelijktijdig.

In den daaropvolgenden eiken-tijd ging het klimaat meer gelijken op het tegenwoordige. De den wordt meer en meer vervangen door den eik. Hoewel de den tegenwoordig weer verreweg de baas is op den eik, is dit alleen aan de werkzaamheid van den mensch toe te schrijven.

In dien eikentijd verscheen ook het veenmos (Sphagnum) en verving de slaapmossen (Hypnum). Tegehjk kwam ook de struikheide (Calluna). Bij het meer vochtig worden van het khmaat (of ook door andere oorzaken) werden vele eikenbosschen vernietigd en vervangen door heide en hoogveen. Wanneer n.1. een overmatige vorming van zure humus plaats heeft, wordt de bovenlaag te vast, zoodat de boomen niet meer konden doorgroeien. Op deze aldus ontboschte heide- en veenvlakten vestigden zich een nieuwe groep immigranten, de Atlantische, die uit het Z.W. kwamen, en wel: dopheide (Erica), gagel, groote brem, enz.

171

171

Sluiten