Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

± 900 v. Chr. De hunnebedden plaatst hij ± 1200 v. Chr. Beide culturen behooren tot de laatste gedeelten van den jongeren steentijd, waarin dé mensch gepolijste steenen werktuigen gebruikt, een meer gezeten levenswijze heeft, eenigen landbouw drijft en in het bezit is van huisdieren.

Holwerda heeft in Drente 2 typen onderzocht, die we naar de vindplaatsen type Drouwen en type Emmen (Schinner Esch) kunnen noemen. Het eerste type, het meest voorkomende, is aldus gebouwd: een aantal draagsteenen zijn in een langgerekt vierkant geplaatst; deze dragen de deksteenen. 't Meerendeel is graniet, met een gewicht tot 35000 K.G., de binnenzijden der kantsteenen zijn meer of minder vlak. De draagsteenen staan slechts even in den vasten grond. Aan den buitenkant was er tot op vrij groote hoogte zand tegen opgeworpen. De ruimte binnen de steenen was vóór de ontgraving met kuituur- (d.i. bewerkten) grond, gemengd met kleine keitjes, aangevuld. Onder deze laag vindt men een plaveisel van steenen.

Het hunnebed was oorspronkelijk een kelder met steenen wanden, steenen dak en keien vloer. De tusschenruimten tusschen de steenen wanden waren eenmaal aangevuld met kleinere steenen en daarover lag een mantel van zand. De hoogte van den kelder bedroeg ± \% M., de lengte bij het eerste hunnebed van Drouwen 14 M. Van buiten af gaf een ingang tusschen eenige rechtopstaande steenen, met een kleineren deksteen gedekt, toegang tot den kelder. Een drempel, gevormd door eenige platte, rechtopstaande keien, vormde de grens tusschen ingang en kelder. De vloer van den ingang hgt lager dan die van den kelder, zoodat het regenwater vóór den drempel blijft staan. De indruk, dien men in den kelder krijgt, is die van een in de rots uitgehouwen grafkamer. In dien kelder werden de dooden bijgezet.

Het losse zand van den heuvel om en over het hunnebed werd bijeengehouden door een wand van kleine steenen, die de grens van den heuvel aangeven. Bij Drouwen werden nog eenige van deze kranssteenen aangetroffen. De grafkamer was open: de lijken werden er gehurkt in neergelegd. Het vele vaatwerk, versierd en onversierd, groot en klein (in het westehjk hunnebed werden meer dan 400 stuks aardewerk aangetroffen), vuursteenen voorwerpen, zelfs stukjes brons, dat alles getuigt er van, dat den doode zijn bezit werd meegegeven en de spijze werd gebracht, welker geest hem moest sterken. De stukjes brons zijn waarschijnlijk door ruil verkregen uit streken, die reeds de bronscultuur bezaten, zooals dit vooral aan de Noordzijde der Alpen, in de nabijheid van Hallstatt, het geval was. (Holwerda onderscheidt in ons land niet een eigenlijken bronsryd).

Later is het hunnebed niet meer onderhouden; in den heuvel werden zelfs

185

Sluiten