Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zeer merkwaardig is nu, dat de taal van de Drenten veel overeenkomt met die van het W. deel van Westfalen, terwijl die van Groningen (en gedeeltelijk ook in de veenkoloniën) meer met die van Oost-Westfalen kan vergeleken worden, zooals Schuiling heeft aangetoond.

De bevolking van Drente zal in den tijd van Cesar wel op denzelfden trap van beschaving gestaan hebben als in overig Germanië. Wel was elke stam verdeeld in kleinere groepen, die reeds een bepaald gebied in bezit hadden, maar daar nog min of meer als nomaden leefden. Eigenlijke landbouw was nog onbekend. De door famihe-verwantschap verbonden groep had den grond, die hoofdzakelijk voor veeteelt in gebruik was, in gemeenschappelijk bezit. Waarscbijnhjk zijn deze, elk door een familiegroep bewoonde, gebieden, de dingspelen geworden, waarvan er in Drente een 6-tal waren (Zuidenveld, Beiier Dingspel, Dieverder Dingspel, Rolder Dingspel, Noorderveld en Oostermoer). Later zijn deze dingspelen bij de uitbreiding der bevolking en den overgang tot een meer gezeten bevolking verdeeld en wel in marken. Deze marken hadden, in tegenstelling met die in Overijsel en Gelderland, geen eigen rechtspraak. Deze bleef bij het Dingspel (het Dingspelgerecht of Goorspraak). Deze dingspelen waren later, wat de rechtspraak betreft, verdeeld in schuitambten.

In het begin onzer jaartelling zal de overgang plaats gehad hebben tot een nog primitieven landbouw, en zullen er meer vaste woonplaatsen gekomen zijn. Gemeenschappelijk zijn nog de weiden en het bosch; het gedeelte van den bodem echter, dat voor den landbouw in gebruik is, wordt jaarlijks in een aantal stukken verdeeld en wel in zoo'n aantal, als de groep uit families bestaat.

Tijdens de Volksverhuizing treedt een algemeene achteruitgang in. Na dien tijd ontwikkelen zich echter de toestanden verder, en wordt de dorpsgroep, beter gezegd de kluft of buurtschap, de economische eenheid. Dan heeft dus de overgang plaats van samenhoorigheid, die eerst een gevolg was van bloedverwantschap, in die, welke een gevolg is van het samenwonen. Onderling staan deze heden meest nog in nauwe betrekking tot elkaar. Ieder famihehoofd heeft een eigen hof, terwijl elk recht heeft op de gemeene weide en het gemeene bosch. Men verbouwde wat knoUen, boonen, erwten, graan; men hield pluimgedierte, varkens en honden. Jacht en vischvangst brachten afwisseling. Langzamerhand kwamen ook personen in de nederzetting, buiten de famihe staande. Het werd noodig, dat de groep zijn grondgebied verdedigde tegen hen, die niet tot den kleinen kring behoorden. Men maakte merken, grenzen. Zoo ontstond de marke als grondgebied. Van toen af moesten de markegenooten ook regelen 188

Sluiten