Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ongewenschte was. Zoo werd de Zeyer-marke verdeeld in deelen, waarvan de meeste grenzen naar den toren van Vries wezen, waardoor zeer lange, maar tevens zeer smalle perceelen werden verkregen. Evenzoo bij Rolde. Thans is door de wet op de ruilverkaveling een betere en meer economische indeeling der stukken mogelijk. Wat de markegrenzen betreft, deze zijn van beteekenis, daar zij over 't algemeen met de tegenwoordige gemeentegrenzen overeenkomen, zooals Jhr. De Jonge van Ellemeet verder uitwerkt. De eenige oudere kaart, waarop vrij betrouwbaar de markegrenzen zijn aangegeven, is de kaart van Werveke (1840), waarvan het origineel in het Provinciehuis berust. Facsimiles bezit het Rijks-Archief te Assen. Deze kaart vormt den grondslag voor het kadaster en voor de kaart in den Historischen Atlas.

Thans moeten we ons afvragen, op welke gedeelten van de markegronden de bevolking ging wonen. Deze plaatsen van nederzetting hebben weinig of niet gewisseld, getuige de nabijheid van hunnebedden en(of) tumuli. Zelfs vindt men in enkele dorpen bij het omwoelen of vergraven van den bodem onder wegen en huizen nog vaak scherven van urnen. Het is zeer waarschijnhjk, dat daar, waar de oude bevolking zich groepsgewijze nederzette, thans nog de dorpen gevonden worden. (Uitgezonderd zijn enkele nieuwe koloniën, niet alleen de Koloniën van Weldadigheid en de Strafkolonie Veenhuizen, maar ook een enkele, thans ontstane nederzetting als Papenvoort.) Wel zijn soms de plaatselijke omstandigheden veranderd: zoo zijn er nederzettingen, waarvan de groengronden veel te ver verwijderd zijn, zooals Hooghalen.

Vooreerst dan is kenmerkend, dat geen enkel dorp aan een stroompje hgt, wel aan den rand van het diluviale dal er van en aldus beveiligd tegen te hoogen waterstand (fig. 11).

Als een tweede factor geldt, dat men gezocht heeft naar stukken land, die voldoende vruchtbaar waren. Dat zijn de tegenwoordige esschen. De hoogere ligging hiervan is al zeer eigenaardig. Reeds trok dit de aandacht van W. C. H. Staring. P. R. Bos verklaart deze hooge ligging aldus: vooreerst toch waren die hooggelegen gedeelten te midden van dikwijls moerassige landen gezonder te bewonen en in de tweede plaats waren ze om hun beteren natuurlijken waterafvoer voor bebouwing meer geschikt. Hij komt tot de slotsom: „dat de esschen de laatstovergebleven. niet geheel in de macht van de heide gevallen deelen van de groote bosschen zijn, die eens deze streken bedekten. Bij de keus van hun bouwlanden uit de aanwezige vruchtbare boSchgronden werden de aloude landbouwers geleid door een hooge, droge, gezonde ligging en door de nabijheid van wei-

191

Sluiten