Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bleef dus over, dat de bevolking door meer intensieve cultuur, zooals betere bemesting, de opbrengst zoo kon vergrooten, dat zij voldoende was voor de zich uitbreidende bevolking. En dit kon niet anders dan door meerder vee te houden. Daarvoor was echter meer groenland noodig.

En vergelijkt men nu de uitbreiding van deze groengronden omstreeks 1640 en 1840, dan blijkt werkelijk, dat deze veel grooter zijn geworden (en tevens de nieuwere anders, meer rationeel, zijn ingedeeld ten behoeve van een beteren waterstand). Daaruit blijkt zeer duidelijk, hoe afhankelijk de landbouw van de veeteelt was.

De groenlanden, langs het stroompje gelegen, zijn langer gemeenschappelijk gebleven dan de esschen. Het eerst werden verdeeld de hooilanden, later ook de graslanden. Soms zijn enkele stukken nog gemeenschappelijk bezit. Dit was in Eext het geval, waar deze stukken toegewezen waren aan den houder van den stier, die het eigendom van de gezamenlijke geërfden was.

Zooals reeds gezegd, worden de esschen voor bouwland gebruikt. Meest verbouwt men er winterrogge op. Enkele deelen worden, als tweede gewas met spurrie of knolzaad bezaaid. In het voorjaar worden, over groote gedeelten, aardappelen gepoot. De boekweit is van de meeste esschen verdwenen, ook al door de wisselvalligheid van den oogst, daar dë vaak voorkomende, late nachtvorsten heel wat schade aan het gewas doen.

Als 't koren rijp is, begint „de bouw" en wordt het graan in „hokken" te drogen gezet, om later op hooge „zaadbuiten" gestapeld te worden. Dan komt tegenwoordig de stoomdorschmachine, die in een minimum van tijd het zaad uit de aren verwijdert en het stroo tot vierkante pakken perst, waarvan er vele naar de stroocartonfabrieken gaan. Daardoor is mede het dorschen in het najaar en den winter op de groote delen opgehouden.

Van een toren gezien, lijken de dorpen wel oasen in de heidewoestijn hoewel deze steeds kleiner wordt door de voortgaande ontginningen (fig. 12 en 14). Verschillende nederzettingen zijn door een groenen band in het bruine heidelandschap met elkaar verbonden. Uit de groene oasen steken thans niet meer zooveel korenmolens uit als vroeger. Vele zijn afgebroken, daar aan de meest coöperatieve boterfabrieken een maalderij werd verbonden.

De dorpen en gehuchten moderniseeren snel. Daarmee gaat veel van hun intieme schoonheid verloren (fig. 15), evenals vele oude gewoonten. Zelfs zijn de dorpsbelangen niet steeds in overeenstemming met de gemeentebelangen. Vooral in de gemeenten, op den Hondsrug en het veen, ten Oosten

195

Sluiten