Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van het „Oude Gebergte" en de in de gesteenten van de deklagen gedenudeerde laagten. Deze laagte bestaat ten Zuiden van de Eder onmiddellijk aan den gebergterand uit een breed op ongeveer 300 M. hoog gelegen terras of „Eckflur", die door de verplaatsing van de Wilde tot een schijnbaar Ederterras geworden is. In dezelfde hoogte hgt. of, wat hetzelfde is, tot hetzelfde ontwikkelingsstadium behoort de denudatielaagte („Ausraum") van Reinhardshausen, d.z. de in de weeke leien van het Middendevoon gevormde laagten bij de bronbeken van de Wilde. Deze rivier, die aan de steden Alt-Wildungen en Bad-Wildungen den naam gegeven schijnt te hebben, bekommert zich noch om de tectoniek, noch om het jongere transgressie-reliëf; zij schijnt dus een rest van een zeer oude hydrografie te zijn. In haar stroomgebied is volkomen bereikt, wat men het hardheidsrelief noemen kan. Op meerdere plaatsen op de „Eckflur" van Alt-Wildungen, tusschen Wilde en Eder, heeft Kranz rivierrolsteenen gevonden, op 280 tot 306 M. zeehoogte. Op de uit zechsteinkalk en bontzandsteen samengestelden ondergrond zijn de uit grauwacke en kwartsiet bestaande rolsteenen goed te herkennen.

De hydrografische lijnen, de bodemvormen en de door het riviergrind nog herkenbare resten van vroegere dalbodems wijzen voor het gebied ten Noorden van Wildungen op een regelmatigen ontwikkelingsgang, die natuurlijk door de geologische samenstelling bijzondere categorieën van vormen heeft doen ontstaan. Het spreekt vanzelf, dat het naast elkaar voorkomen van geplooid grauwacke- en leisteengebergte, horizontale deklagen en zachte opvulling van de Senke zich ook in het landschapsbeeld van de riviergebieden moet weerspiegelen, maar wij nemen hier geen verschijnsel waar, dat ons belet, den tegenwoordigen toestand als het ware organisch uit den vroegeren af te leiden. Wat wij waarnemen, is gemakkelijk te begrijpen, is uit duidelijk ons voor den geest staande vroegere toestanden te verklaren.

Wij zien, dat de rivieren in haar eigen dalen hggen, dat de zijstroompjes onder rechte of scherpe hoeken de hoofdrivier bereiken. De oorspronkelijke toestand, waarbij de rivieren, hoofd- en zijrivieren, nog niet ingesneden op een veel minder geaccidenteerde landoppervlakte lagen, wordt ons onmiddellijk duidelijk, ja onbewust zien wij dezen toestand, wandelen wij in zekeren zin in den geest op deze oeroppervlakte, waar het oog vermoeid door den rijkdom aan indrukken van het tegenwoordige landschap tot rust komt, de geest den drang naar het meer eenvoudige, primitieve bevredigd voelt, en dan op eens zien wij een verschijnsel, dat niet in het eenvoudige beeld schijnt te passen, dat wij ons gedroomd hadden. 214

Sluiten