Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Deze aantapping moet in verband gestaan hebben met een diepteerosie, waarvan wij nu willen trachten den ouderdom te bepalen. Deze bepaling kan geologisch zijn, d.w.z. een invoeging in de geologische chronologie, waartoe echter voorloopig de kriteria nog ontbreken. Deze bepaling kan ook een relatieve zijn, en uit het hierboven gezegde bhjkt wel, dat deze diepteerosie tot de tweede in de vormen van dit landschap erkenbare erosieperiode behoort. De eerste zou dan diegene zijn, die het epigenëtische Schwalmdal deed ontstaan, toen de Waldecker hoogvlakte, het 400 M. niveau, doorsneden werd tengevolge van een opheffing. In deze erosieperiode valt dus tegelijkertijd de vorming van de breede dalvlakten van het Braunauer niveau op 300 M. hoogte, dus de hoogvlakten van Alt-Wildungen en Braunau en de denudatielaagte van Reinhardshausen. Wij zullen wel niet misgrijpen, wanneer wij de denudatievlakten in het 300 M. niveau parallehseeren met de ook elders in dit gebergte optredende dalen uit den plioceentijd.

Aan de vorming van deze dalen ging dus een opheffing van niet meer dan 100 M. vooraf, uit een oud landschap ontstond daardoor een landschap met een oudrijp karakter. Het.spreekt vanzelf en volgt reeds uit de definitie, waarmede Davis het begrip „cyclus" invoerde, dat niet iedere cyclus een volkomen vereffening behoeft te bewerkstelligen, maar dat tevens ook niet in iederen cyclus het geheele landschap door een jeugdstadium heeft door te gaan.

De doorsnijding van een ouden dalbodem, de vorming van een dalinsnijding is het werk van de diepteerosie in het begin van den nieuwen cyclus, de diepteerosie wordt, wanneer de tectonische beweging vroegtijdig tot rust komt, door laterale erosie afgewisseld of zelfs begeleid, er vormen zich breede dalbodems, dalvlakten zooals die van Braunau, die der OerWalze. En nu begint een nieuwe opheffing, zonder dat het landschap een nieuw ouderdomsstadium bereikt had; nieuwe insnijdingen vormen zich, en daar de nieuwe opheffing sterker was dan de vroegere, werden diepere en smallere dalen geschapen, deed zich het plaatselijk zoo veelvuldig en snel wisselende gesteentekarakter opnieuw gelden, en werden de oude dalbodems, inzooverre zij in gemakkehjk verweerbaar gesteente, zooals zechsteinmergel en culmkleilei, lagen, in sterken mate gedenudeerd. Nu sneden de Wildunger riviertjes in, en vooral de Sonderbach als primus inter pares moest, naar het Zuiden voortwerkend, de veroveringen op de hoog gelegen bronbeken der Walze uitvoeren, die het onderwerp van deze beschouwingen vormen en die in de natuur het zoo merkwaardige landschap van Odershausen-Braunau met zijn afwisseling van hoogvlakte en dalkloof hebben doen ontstaan. 218

Sluiten