Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voorloopig aan het hoogtecijfer 190 (iets minder dan bezuiden Namen) geen al te groote beteekenis te hechten.

•Lorié heeft het witte kwartsgrint. dat benoorden Namen tot een hoogte van maximaal 205 M. voorkomt, verder stroomafwaarts langs de Maas in oostelijke richting vervolgd. Hij trof de grintdepots vrijwel in een aaneengesloten keten noordelijk van de Maas aan tot bij Flémalle, tegenover Seraing. Merkwaardig is, dat de hoogte, waarop de grintafzettingen voorkomen, stroomafwaarts in 't geheel niet afneemt. Bij Stockay, 10 K.M. bewesten Seraing, trof Lorié ze nog op 205 M. hoogte aan. Hieruit schijnt te volgen, dat er, nadat het kwartsgrint door de Maas was afgezet, een geringe opheffing van het meer oostelijk gelegen gebied heeft plaats gehad. Deze onderstelling vindt steun in de ligging van het „diluvium ancien è galets de silex" van Midden-België, dat naar het Oosten toe op steeds hooger niveau voorkomt, terwijl — naar Lorié aannemelijk heeft gemaakt — oorspronkelijk het verval in oostelijke richting was. Als men verder in aanmerking neemt, dat het witte kwartsgrint in Zuid-Limburg op den Ubaghsberg op 217 M. hoogte voorkomt, wordt deze opheffing in het Oosten nog meer geaccentueerd.

In dit verband zij hier nog vermeld, dat door P. Fourmarier in een zandgroeve bij Cokaifagne in het Hohe Venn, op 475 M. hoogte, in het kwartsgrint, dat hier op witachtig zand hgt, enkele oölietische kiezelgesteenten zijn gevonden. Wanneer dit grintdepot, dat voorloopig nog een geheel op zichzelf staand geval is, werkelijk tot het witte kwartsgrint behoort, zouden wij hieruit allicht een zeer belangrijke verbuiging van het jong-tertiaire landoppervlak moeten afleiden.

c. Het hooggelegen kwartsgrint bij Dinant en Givet.

Het witte kwartsgrint (met kiezeloöheten) bij Hastière-Lavaux (Z. W. van Dinant) op 200 M. hoogte (105 M. boven de Maas) hgt betrekkelijk zeer laag. Daar het evenwel op de helling ligt en dus een oorspronkelijk grootere hoogte niet is uitgesloten, is het hoogtecijfer hier van weinig belang.

Aan de overzijde van de Maas, bij Anseremme, komt een 230 M. hoog terras voor (140 M. boven de Maas); Dr. Hol rekent dit tot het door haar zoo genoemde Argonnen-Maasterras, d.w.z. zij denkt het zich gevormd te zijn door de Maas ten tijde, dat deze het witte kwartsgrint afzette. In een zandgroeve op dit terras W. van Dréhance (O. van Anseremme) trof ik wit, bovenaan meer roodachtig gekleurd zand aan. Het grint, dat bovenaan in dit zand voorkomt, is zeer merkwaardig, daar het geen kwarts bevat, doch uitsluitend bestaat uit hoekige brokstukken verkiezelden kalksteen (tot 8 cM. groot), die in ieder geval voor het meerendeel onder-carbonische 222

Sluiten