Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geuite meening, dat het kwartsgrint bij Namen primair op verschillende niveau s zou voorkomen, ben ik daarom thans van meening, dat, naar alle waarschijnlijkheid, de op tertiaire zanden rustende kwartsgrint-depots oorspronkelijk één geheel hebben uitgemaakt en in één niet-onderbroken sedimentatie-periode zijn afgezet. De hoogteverschillen in de ligging van het kwartsgrint bezuiden Namen moeten dan tektonisch worden verklaard, en inderdaad geeft de geologische detailkaart *) tusschen Fort St.-Héribert en Haute Fontaine breuken aan in het Palaeozoïcum, welke breuken tijdens het Phstoceen kunnen hebben nagewerkt.

Over den ouderdom van het witte kwartsgrint langs de Maas kan op het oogenblik nog niets met zekerheid gezegd worden. Zoowel voor een oud-plistocenen als voor een phocenen ouderdom kunnen argumenten worden aangevoerd.

Aangaande de vormingswijze is onlangs door P. Fourmarier (6) het mariene karakter van het witte kwartsgrint bepleit. Zijn voornaamste argumenten zijn:

1°. De meerdere afgerondheid van de rolsteentjes in het kwartsgrint vergeleken met die van het normale phstocene Maasgrint en dit niet alleen vöorzoover het de keitjes van witten kwarts betreft (die weihcht uit een triassisch conglomeraat afkomstig zijn), maar ook wat betreft de andere gesteenten, bijv. cambrische kwartsieten.

Voorzoover de kwartsieten werkelijk cambrisch zijn, is mij dit nooit opgevallen, wel zijn de Ardennengesteenten in het kwartsgrint vaak meer verweerd.

2°. Bij een rivierafzetting zouden de oölietische kiezelgesteenten stroomopwaarts talrijker moeten voorkomen, ze zijn daarentegen niet zuidelijker dan Givet gevonden.

Hierbij dient opgemerkt te worden, dat er tusschen Givet en Mézières op de hoogten zoo goed als geen ontsluitingen zijn, en dat bezuiden Mézières wel weer kiezeloöheten zijn gevonden. Overigens neemt ook Fourmarier aan, dat de oölietische kiezelgesteenten in de zee zijn gevoerd door waterloopen, die uit het Zuiden kwamen, „dont il serait impossible aujourd'hui de préciser le tracé". De moeilijkheid blijft dus bij zijn hypothese dezelfde.

3°. De groote hoogte, waarop het grint bij Cokaifagne in het Hohe Venn voorkomt en de moeilijkheid om een Maasloop te reconstrueeren, die dit grint zou hebben afgezet.

Hiertegen kan worden aangevoerd, dat de Maas, die het witte kwarts-

*) (29), feuille Malonne*Naninne.

227

Sluiten