Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tei beoefening der natuurkundige wetenschappen, bij deze hoogeschool daargesteld, ten algemeene nutte der ingezetenen aan te wenden". Spoedig daarop, n.1. in 1826, verscheen een anoniem geschriftje onder den titel „Bijdragen ter aanmoediging der beoefening van de kennis der gronden, in de provincie Groningen" [88].

In de Vijftiende Openbare Vergadering der Eerste Klasse van het Koninklijk Nederlandsen Instituut van Wetenschappen, Letterkunde en Schoone Kunsten, gehouden den 27 Maart 1845, hield A. H. van der Boon Mesch, eveneens hoogleeraar, een rede „Over de noodzakelijkheid van de beoefening der Natuurkundige Wetenschappen voor den Landbouw in Nederland" [2933].

b. W. C. H. Staring en zgn tüdgenooten.

De Koninklijke Akademie van Wetenschappen te Amsterdam, bracht in het jaar 1856 een verslag uit „omtrent de vraag betreffende de meest geschikte wijze, waarop het aangevangen, doch thans gestaakte geologisch onderzoek van den Nederlandschen bodem kan worden voortgezet en voltooid, of het meest nuttig gebruik van hetgeen daardoor reeds verkregen is, kan worden verzekerd" [328]. De eerste Nederlandsche geoloog uit dien tijd, W. C. H. Staring, bracht in 1860 (396) een verslag uit, dat met toestemming van den toenmaligen Minister van Binnenlandsche Zaken werd gepubliceerd onder den titel: „Overzigt van hetgeen er voor de Geologie van Nederland verrigt is en nog te verrigten valt". In het zelfde jaar gaf Staring in de Algemeene Konst- en Letterbode eenige beschouwingen ten beste over den „Toestand van het geologisch onderzoek van Nederland" [399].

Drie jaren later lichtte hij de lezers van De Gids in over „de studie der geologie in Nederland" [3045].

c. Na W. C. H. Staring.

Van wege het Koninklijk Nederlandsch Aardrijkskundig Genootschap verscheen in het bekende tijdschrift hiervan, in het jaar 1890, een „Rapport over het voorstel tot het oprichten van een geologisch-geographisch Centraal-Bureau [799].

De geestelijke opvolger van Staring. J. Lorié, besprak in het volgende jaar in hetzelfde tijdschrift „hetgeen er in ons land nog te doen valt op geologisch gebied, met inbegrip van de vervaardiging eener nieuwe geologische kaart [852]. 312

Sluiten