Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

even gemakkelijk op te lossen en vraagstukken zijn nog in overvloed gebleven, die op beantwoording wachten. Nauwkeurig onderzoek van 't terrein, waarbij elke kleinigheid van beteekenis kan zijn, b.v. de sterkere of zwakkere helling aan den vroegeren buiten- of binnenkant der dijken, de hgging van dijkputten aan den buitenkant, daarnaast zorgvuldig snuffelen in de oude kronieken en kritisch bekijken der oude kaarten, zijn de middelen, die tot het doel zullen voeren.

Van de oude kronieken noemen we allereerst de „Nieuwe Cronijk van Zeeland" (1696) door Smallegange („met vele kopere Platen verciert" en kaarten), waarin verwerkt zijn de oudere gegevens van Eijndius, Reijgersberg en Boxhorn; verder raadplege men o.a. het negende en tiende deel van „Tegenwoordige Staat der Vereenigde Nederlanden" (verschenen te Amsterdam 1751 bij Tirion), dan „Eenige Zeeuwsche Oudheden" van Jacobus Ermerins (1792), de „Beschrijving van Zeeland" door Mr. Zacharias Paspoort (1820) en „Wandelingen door Zuid- en Noord-Beveland" van Joh. ab Utrecht Dresselhuis (1832).

Wat kaart- en plaatwerken betreft, bepaal ik me tot het aanbevelen van een bezoek aan 't Museum van het „Zeeuwsen Genootschap der Wetenschappen" te Middelburg. Wie belang stelt in leven en bedrijf van beroemde Zuid-Bevelanders (we noemen hier slechts Joannes Antonides van der Goes, dichter van de „IJstroom" en den, eigenhjk te Middelburg geboren, raadpensionaris Van de Spieghel). zij aanbevolen o.a. Nagtglas „Levensberichten van Zeeuwen".

Wat de wordingsgeschiedenis betreft, moeten we ons hier tot een overzicht beperken en voor 't overige belangstellenden verwijzen naar Beekman „Nederland als polderland" en meer nog „Geschiedkundige Atlas van Nederland" of naar Müller „Das Wasserwesen der Niederlandischen Provinz Zeeland". De naam Beveland is wel verklaard als ^bevend land", waarbij men denkt aan den weeken bodem vóór de bedijking, of als „bedevaartsland", zonder dat men kan aanwijzen, welke bedevaarten bedoeld zouden zijn, of als „Beierenland", waarbij uit *t oog verloren wordt, dat de aanraking met de Beiersche familie eerst geschiedde, toen de naam Beveland al lang bestond, want deze naam komt reeds voor in een stuk van 966, waarbij Keizer Otto I het gebied schenkt aan de Abdij van Nivelle. Beter is, te denken aan den naam Bavo, maar ook hierbij zijn twee opvattingen mogelijk: van Geertruida, de Heilige, dochter van Pepijn van Landen, kwamen de slikken en schorren

357

Sluiten