Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

26

landschen handel opengesteld (Artt. 10 en 11) en jurisdictie over Britsche onderdanen werd aan de Britsche authoriteiten overgelaten.: Daar oppositie van Chineesche strijdmachten te Tientsin ontmoet werd, toen de Britsche en Fransche gevolmachtigden zich naar deze plaats begaven om de bovengenoemde tractaten te ratificeeren, ontbrandde de oorlog opnieuw, en eindigde ten slotte met de Verdragen te Peking gesloten — met de Franschen den 24sten October 1860 en met de Britten op den volgenden dag. De uitwisseling van de rectificatiën der Engelsche en Fransche tractaten, in Juni 1858 te Tientsin gesloten, had nu binnen de muren van Peking plaats, op 24 October 1860, tusschen Lord Elgin, den Engelschen vertegenwoordiger met Baron Gros, den Franschen vertegenwoordiger, aan de eene zijde en Prins Kung, den broeder van Keizer Hsien Fêng, aan de andere. Bij Art. IV van het bovenvermelde verdrag van Peking werd de haven van Tientsin open verklaard voor buitenlandschen handel, terwijl in Art. VI de stad Kowloon aan Groot-Brittannië afgestaan en bij Honkong gevoegd werd.

Uit het voorgaande blijkt, dat het openen van het Chineesche Rijk voor den buitenlandschen handel niet goedschiks plaats gehad heeft. Tot 1842 was de vreemde handel hoofdzakelijk beperkt tot het Zuiden met Macao en Canton tot basis, behalve de handel over de landgrenzen met Rusland. De eerste oorlog tusschen China en Groot-Brittannië had ten gevolge het openen van vijf havens, die gelijk stonden met evenzooveel deuren voor den buitenlandschen handel. Door het tractaat van Tientsin werd de Yangtze voor den handel opengesteld. Het was echter niet vóór 1860, dat bij het verdrag van Peking van dat jaar, Noord-China -— door de deur van Tientsin — voor het verkeer geopend werd en de diplomatieke betrekkingen op vasten voet geregeld werden.

Vermelden wn verder nog, dat de Nederlandsche regeering eveneens haar plaats ingenomen heeft in de rij der tractaatmogendheden. Nadat bij Koninklijk Besluit van 23 Juli 1862 (N°. 64) t) de leiding der betrekkingen van Nederland en van Nederlandsch-Indië met de Rijken van China en Japan, vóór dezen ressorteerende onder den Gouverneur-Generaal van Nederlandsch-Indië, aan den Minister van Buitenlandsche Zaken opge-

1) Afgedrukt in de interessante studie van Mr. E. M. van Kleffens „De Internationaalrechtelijke Betrekkingen tusschen Nederland en Japan", (1605—heden), (Amsterdam, 1919), bl«. 819.

Sluiten