Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

114

De traetaten der meeste staten met China bevatten eenvoudig de bepaling, dat Consuls benoemd worden op plaatsen, die voor den handel opengesteld zijn, maar voegen er geen speciale bepalingen aan toe. Nederland, in het bovengenoemde Art. I, en de Vereenigde Staten van Noord-Amerika in Art. X van het verdrag van 1858, hebben zich verbonden van consulaire benoemingen kennis te geven aan de Keizerlijke Commissarissen voor den handel. Zweden, (tractaat van 1908, Art. III), Brazilië, (tractaat van 1881, Art. III), Mexico, (tractaat van 1899, Art. III), en Zwitserland, (tractaat van 1918, Art. H) stipuleeren, dat een exequatur voor den Consul aan het Chineesche Gouvernement aangevraagd moet worden. De tractaten der andere mogendheden, Nederland eveneens, bevatten deze bepaling niet, zoodat de Consuls daarvan ook geen exequatur bezitten. De eenige formaliteit in deze gevallen is, dat de Chef van de diplomatieke missie te Peking aan de Chineesche Regeering schriftelijk meedeelt dat een Consul benoemd is. *) Het Braziliaansche Verdrag van 1881 (Art. III) en het Mexicaansche Verdrag van 1899 (Art. III) bevatten nog de bepaling, dat „si le Consul se conduit d'une facon illegale, 1'exéquatur pourra lui être retiré."

Het ontbreken in de meeste tractaten tusschen China en de vreemde mogendheden van eene clausule, die de gebruikelijke formaliteit voorschrijft van het aanvragen aan het Chineesche Gouvernement van het exequatur, vóórdat de benoemde consulaire ambtenaar zijn functies aanvaardt, ontneemt aan China de gelegenheid zich tegen eene benoeming te verzetten indien zij dit mocht noodig oordeelen. Maar hieruit volgt niet, dat deze omstandigheden eene benoeming zouden rechtvaardigen van een persoon, tegen wien bezwaar gemaakt is. Oppenheim huldigt de meening, dat, indien geen formeel exequatur is aangevraagd en verleend, vreemdelingen dan toch de functies van consuls mogen uitoefenen met de toestemming van den Staat, waarin zij werkzaam zijn, zonder dat echter erkenning daarvan het gevolg is, „Such indi„divuals", — zegt deze schrijver, — „are not really consuls, al-

1) Het verdrag met Perzië van 1920 (Art. V) en het verdrag met Chili van 1915 (Art. II) schrijven eveneens voor, dat een exequatur door het Chineesche Gouvernement aan de Consuls verleend moet worden „before entering upon the exeroise of their functions'', maar daar deze landen geen exterritorialiteit bezitten in China zijn deze verdragen hier buiten beschouwing gelaten.

Sluiten