Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

123

de Nederlandsche staatsmacht en jurisdictie in de meest uitgebreide beteekenis dezer woorden.

Immers Nederlanders in exterritoriale landen woonplaats hebbende, moeten geacht worden zich niet buiten het Nederlandsche staatsgebied (domaine législatif et juridictionnel) x) te bevinden — in werkelijkheid kunnen zij zich niet aan de Consulaire, d.i. dus in deze de rechtstreeks Nederlandsche rechtsmacht onttrekken en is het overbodig van hen eene verklaring te verlangen na een in deze omstandigheden doorgebracht tienjarig verblijf „buiten het Rijk", dat zij'de Nederlandsche nationaliteit wenschen te behouden. Men vergete niet, dat zulke Nederlanders onmogelijk gedurende dien tijd hun Nederlanderschap hadden kunnen verliezen tenzij zij zich naar een ander land begaven, hetgeen het verlaten van het exterritoriale land en dus van het Nederlandsche rechtsgebied zou insluiten.

Het hierboven door ons ingenomen standpunt geldt voor alle in exterritoriale landen wonende Nederlanders, onafhankelijk van de vraag of zij al dan niet in j eene nederzetting of concessie woonachtig zijn, doch niet, indien zij in een „pachtgebied" wonen, omdat in zoodanig pachtgebied de exterritoriale rechten niet van kracht zijn.

§ 3. De Consulaire Wet. De „Wet van 25 Juli 1871 (Stbl. N°. 91), houdende regeling van de bevoegdheid der Consulaire Ambtenaren tot het opmaken van burgerlijke akten, en van de consulaire regtsmagt", welke kan worden aangehaald onder den titel van „Consulaire Wet", is wel een der gewichtigste staatsstukken, waarmede de Nederlandsche consuls gedurende hunne werkzaamheden in China te maken hebben. Eene interessante beschrijving van de geschiedenis der tot standkoming van deze Wet vindt men in het reeds aangehaalde proefschrift van Mr. van Oordt 2), terwijl de Handleiding van Mr. Zilcken 3) nog steeds een nuttige toelichting verschaft.

1) Zie in verband hiermede: § 1. La terminologie et les fiotions de territorialité et d'exterritorialité, Chap. III, p. 158 in L. van Praag, Juridiotion et Droit international public, ('s-Gravenhage, 1915); ook von Heyking 1'Exterritorialité, (Berljjn, 1889) blz. 35.

2) De Privaatrechterlijke Toestand van den Nederlandschen Koopman in de landen van den Islam, (Leiden, 1899).

3) Bevoegdheid der Consulaire Ambtenaren tot het opmaken van Burgerlijke Akten en Consulaire Begtsmacht, ('s-Gravenhage, 1873.)

Sluiten