Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

124

De bevoegdheden der Consulaire Ambtenaren, waarover de Consulaire Wet handelt, namelijk, de burgerlijke stand, het notariaat en de rechtsmacht, worden reeds dadelijk in Art. I nader beschreven. Dit artikel Inidt:

„Aan de Consulaire Ambtenaren, bij algemeenen maatregel „van bestuur aan te wijzen, en binnen het daarbij te bepalen „ressort, wordt toegekend:

a. de bevoegdheid tot het opmaken van akten van den burgerlijken stand;

b. de bevoegdheid tot het opmaken van andere burgerlijke akten;

c. de uitoefening van regtsmagt;

d. de bevoegdheid tot het uitvaardigen van reglementen; een „en ander volgens de regelen bij deze wet te stellen. Evenzoo „kan bij algemeenen maatregel van bestuur eene bepaalde onder „a, b, c of d begrepen bevoegdheid afzonderlijk aan consulaire „ambtenaren voor hun ressort worden verleend."

De redactie van dit artikel, zooals het hierboven weergegeven is, werd laatstelijk vastgesteld bij artikel I van de Wet van den 19deB Maart 1913. (Stbl. N°. 100) houdende wijziging en aanvulling der Consulaire Wet.

Wij constateeren dus ten eerste, dat niet alle consulaire ambtenaren de bovengenoemde bevoegdheden bezitten, maar slechts zij, die daartoe bij algemeenen maatregel van bestuur aangewezen zijn en, ten tweede, dat een bepaalde onder a, 6, c of d begrepen bevoegdheid afzonderlijk kan worden verleend, eveneens bij algemeenen maatregel van bestuur. Deze Wet van 19 Maart 1913 bevat nog andere bepalingen, die van belang zijn voor het optreden onzer Consuls in China. Wanneer men de behandeling er van in de Tweede Kamer der Staten-Generaal naslaat *), dan blijkt uit de Memorie van Toelichting, dat bij deze wijziging in de redactie van Art. I, Cons. wet de bedoeling voorgezeten heeft om de bevoegdheid aan consulaire ambtenaren in artikel 10 dier Wet toegekend — dat is dus de bevoegdheid om politie-reglementen vast te stellen — los te maken van de algemeene uitoefening van de rechtsmacht in het boven aangehaalde artikel I.c, cons. wet bedoeld, daar er somtijds wel eene behoefte aan ééne bepaalde bevoegdheid bestaat, zonder dat het wenschelijk is alle te verleenen.

1) Handelingen der Staten-Genernal. Bijlagen, 1909—1910, 287.6.

Sluiten