Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

130

ting 1) is om een wettelijken grondslag te geven aan de bevoegdheid der diplomatieke en consulaire vertegenwoordigers om verordeningen ook buiten de perken van art. 10 en 11 der Consulaire Wet vast te stellen. Dat dit noodzakelijk is, blijkt al dadelijk, wanneer men bedenkt, dat in China, evenals eertijds in Marokko, en ook in Siam, een groote verscheidenheid van internationale regelingen van wege de exterritorialiteitsrechten is ontstaan, die niet door de landsoverheid alléén knnnen worden toepasselijk verklaard. Terwijl men zich voor de toepassing op Nederlandsche onderdanen veelal behielp met politie-reglementen volgens art. 10 en 11 der Consulaire Wet, werd echter in toenemende mate gevoeld, volgens de M. v. T., dat deze bepalingen te weinig ruimte lieten, met name een te laag strafmaximum stelden. Van sommige der bovenbedoelde internationale verordeningen bleef men bij gebreke van zoodanig politie-reglement geheel in het onzekere, hoe in die verordeningen voorkomende strafbepalingen eventueel op aan de Nederlandsche rechtsmacht onderworpen personen moesten worden toegepast. De Consulaire Reglementen Wet strekt om de feiten die in de reglementen en verordeningen in Art. I der wet bedoeld strafbaar gesteld zijn, te stempelen tot overtredingen (artikel 4) terwijl zulke reglementen en verordeningen nu ook werkelijk toegepast kunnen worden. Tevens heft deze wet de onzekerheid op, hoe de diplomatieke en consulaire ambtenaren, indien zij, — zooals dat in China het geval is, — krachtens internationaal gebruik de bevoegdheid hebben reglementen uit te vaardigen, die bevoegdheid moeten uitoefenen. Wat Artikel 2 betreft, bepalende, dat de daartoe bijzonder aangewezen consulaire ambtenaren, die niet de bevoegdheid tot uitoefening der rechtsmacht bezitten, eveneens belast zijn met de handhaving der in Artikel 1 bedoelde reglementen, merkt de M. v. T. nog op, dat het bijvoorbeeld noodig is de handhaving van havenreglementen enz. op te dragen aan de in de havens zelve gevestigde consulaire ambtenaren. Daarom wordt de mogelijkheid geopénd ook aan andere dan in Art. 1, c, der Consulaire Wet met rechtsmacht belaste consulaire ambtenaren rechtsmacht voor bepaalde overtredingen op te dragen. Artikel 3 verklaart, dat op feiten begaan door aan de Nederlandsche rechtsmacht onderworpen personen en strafbaar gesteld in reglementen en verordeningen in Artikel 1

1) Handelingen der Staten-Gteneraal. Bijlagen, 1909—1910. 287.8.

Sluiten