Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

153

in enkele Oostersche landen, alwaar de heerschende rechtspleging zoodanig indruischt tegen de Westersche begrippen van recht en rechtvaardigheid dat rechtszekerheid voor persoon en eigendom geacht wordt onvoldoende te zijn.

De grondslag der Nederlandsche Consulaire rechtsmacht in China is te vinden in artikel VI van het tractaat tusschen Nederland en China, geteekend te Tientsin 6 October 1863, (Stbl. 1865 N°. 119) dat als algemeene regel vastlegt:

„Geschillen tusschen Nederlandsche onderdanen, zullen door „bemiddeling van den plaatselijken consul buiten tusschenkomst „der Chinesche Regering worden geregeld". Het artikel zegt „verder: „Chinesche onderdanen, schuldig aan misdaad jegens „Nederlanders, zullen voor de Chinesche overheid teregtstaan, en „wederkeeriglijk zullen Nederlanders, die zich jegens Chinezen „hebben vergrepen, door hunne overheid volgens Nederlandsche „wetten veroordeeld worden." De Chineesche overheid heeft dus bij dit artikel uitdrukkelijk zijn recht van rechtspraak over Nederlanders in China, — zooals wij hieronder zullen zien zoowel in burgerlijke als in strafzaken — overgedragen op den Nederlandschen Staat. De Nederlandsche Staat door middel der wetgevende lichamen heeft de regeling dezer rechtspraak neergelegd in de consulaire wet van 25 Juli 1871, laatstelijke gewijzigd 23 Februari 1918 (Stbl. N°. 124), waarbij in artikel 1, c, „aan de consulaire ambtenaren bij algemeenen maatregel „van bestuur aan te wijzen, en binnen het daarbij te bepalen ressort" de uitoefening van rechtsmacht toegekend wordt. De consulaire ambtenaren ontleenen dus hunne bevoegdheid tot uitoefenen van rechtspraak aan de Consulaire wet en aan den algemeenen maatregel van bestuur, waarbij hun binnen het daarbij bepaalde ressort de rechtsmacht opgedragen wordt. De basis voor de geheele regeling, zooals reeds opgemerkt werd, is het genoemde artikel van het Nederlandsch-Chineesche tractaat van 1863. Die algemeene maatregel van bestuur, hierboven bedoeld, werd het laatst gewijzigd bij het Koninklijk Besluit van 28 Maart 1917 (Stbl. N°. 268), houdende wijziging van het Koninklijk Besluit van 22 Januari 1915 (Stbl. N°. 22) ter uitvoering van de artikelen 1, 6a en 11a der Consulaire Wet. Wij merkten hierboven op, dat de Chineesche overheid in artikel VI

1) Bijlage A.

Sluiten