Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

176

Hangchow Japansche Concessie (1895); Internationale Nederzetting, (1896). Ningpo Internationale Nederzetting (1844). Amoy Britsche Concessie (1851—2); Japansche Concessie

(1900); Kulangsu Internationale Nederzetting (1902). Canton Britsche Concessie en Fransche Concessie (verkregen in 1861 op het eiland Shameen). De hierboven genoemde ex-Duitsche en ex-Oostenrnk-Hongaarsche Concessies zijn na de oorlogsverklaring van China op 14 Augustus 1917, door haar teruggenomen. De Duitsche Concessies te Hankow en Tientsin waren reeds den 15den en 16den Maart 1917 door de Chineesche autoriteiten overgenomen, als gevolg van het vertrek der Duitsche Consulaire ambtenaren aldaar na het afbreken door China der diplomatieke betrekkingen met Dnitschland op 14 Maart. Van de Oostenrijk-Hongaarsche Concessie te Tientsin werd door China bezit genomen, nadat de oorlogsverklaring geproclameerd was op 14 Augustus 1917. *). Het Chineesche Gouvernement grondde hare actie in dit verband op het feit dat concessies die in eeuwigdurende erfpacht door China aan een vreemde mogenheid afgestaan zijn beschouwd moeten worden als herroepen en vernietigd door het afbreken der diplomatieke betrekkingen tusschen de beide staten. De afstand van het terrein is namelijk gebaseerd op een verdrag tusschen de betreffende staten gesloten en China nam het standpunt in dat alle verdragen en overeenkomsten ipso facto geannuleerd waren door het afbreken der betrekkingen. Dit is wat tusschen China en Duitschland plaats vond *), ofschoon er over de rechtmatigheid van deze zienswijze bij de verschillende schrijvers over internationaal recht lang geen eensgezindheid bestaat. s), 4), 6). Over de ex-Russische Concessies te Tientsin en Hankow, welke

1) Na het afbreken der betrekkingen tusschen China en de Centrale Mogendheden werd de Nederlandsche Gezant te Peking Jhr. Mr. P. Beelaerts van Blokland, belast met het behartigen der Duitsche en Oostenrijk-Hongaarsche belangen. Een belangrijke taak met het oog op de vele netelige vraagstukken door de buitengewone internationale toestanden in het leven geroepen, welke een groote verantwoordelijkheid en veel moeizamen arbeid legde op de schouders van den Nederlandschen Vertegenwoordiger en op die der Nederlandscho Consulaire Ambtenaren in China.

2) Ariga: La Chine et la grande Guerre Européenne au point de vue du Droit International, (Paris, 1920) blz. 233.

3) Oppenheim: International Law, London, 1921, Vol. II, blz. 145.

4) Fauchille, Traité de Droit International Public, Paris, 1921, Tome II, p. 54.

5) Hall: A Treatise [on International Law, 8th Edition, Oxford 1924, blz. 453.

Sluiten