Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

202

Japansche gepachte gebied van het Liaotung Schiereiland, dat lijnrecht staat tegenover de beginselen door den Amerikaanschen Staatssecretaris Hay in de hierboven aangehaalde instructies neergelegd. Het betrof hier een klacht wegens mishandeling, ingediend tegen den kapitein van een Amerikaansch schip door twee leden der bemanning. Het feit had zich voorgedaan te Dairen, waar de Amerikaansche Consul den aanklagers aangeraden had, hun klacht in te dienen bij de Amerikaansche Rechtbank te Shanghai na aankomst van het schip aldaar. De beklaagde nam het standpunt in, dat de Rechtbank niet competent was, daar het misdrijf, waarvan hij beschuldigd werd, te Dairen, dus in Japansch gebied, gepleegd was, en dat, aangezien deze plaats moest beschouwd worden als buiten China gelegen te zijn, derhalve de kennisneming der klacht aan de bevoegdheid van een Amerikaansche rechtbank in China onttrokken was. De rechtbank kon zich met deze zienswijze niet vereenigen en besliste, dat zij competent was van deze zaak kennis te nemen. De overweging, waarop deze uitspraak berustte, kan als volgt geresumeerd worden: Bij het Verdrag van 1844 verleende China aan de Vereenigde Staten van Amerika zekere exterritoriale rechten binnen haar territoir, waartoe toentertijd het Schiereiland Liaotung nog ten volle behoorde. Deze bepaling was eveneens in het Chineesch-Amerikaansche Verdrag van 1858 opgenomen. In 1898 werd het bedoelde schiereiland afgestaan (verpacht) aan Rusland, terwijl echter China haar souvereiniteitsrechten voorbehield. Na den Japansch-Russischen oorlog was Rusland gedwongen deze landstreek aan Japan af te staan, waarin China berustte zonder dat echter door deze verandering inbreuk gemaakt werd ten opzichte van hare souvereiniteitspositie. De rechtbank nam nu het standpunt in, dat, wat ook latere verdragen tusschen China en Japan voor bepalingen mochten bevatten, de Vereenigde Staten geen partij daarin waren: er kon dus geen inbreuk gemaakt worden op rechten, door Amerika in het gepachte gebied bezeten. De beslissing berust natuurlijk op het bekende beginsel, dat een overeenkomst slechts de partijen, die haar aangingen, bindt. De vraag is dus of China, exterritoriale jurisdictie binnen het rijk aan Staat A verleend hebbende, op lateren datum een overeenkomst met den Staat B kan afsluiten, waarbij de rechten van Staat A zonder goedkeuring of medewerking van den laatsten gewjjzigd of te niet gedaan kunnen worden. Het is van bijzonder belang voor de uitoefening

Sluiten