Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

119

kunnen opzweepen tot „kwaaddoen en blij zijn",1) zal het altijd den afschuw tegen den deserteur en den „landverrader" heet kunnen houden, zal het vooral, altijd opnieuw, het recht van anderen op andere groepeeringen als vanzelfsprekend kunnen afwijzen. Sinds jaren wordt door tienduizenden openlijk de klassestrijd gepredikt, d.i. een indeeling op internationale basis, met eerlijk beleden belangen en eischen tot grondslag. Het recht op deze groepeering wordt eenvoudig niet erkend. Den arbeider die zich met anderen vereenigt, om een beter loon, en die den onderkruiper wil beletten, zijn strijd en zijn moeite ongedaan te maken, verwijt men, dat hij de „vrijheid" van den zoo geheeten werkwillige aanrandt, doch overheidsdwang van allerlei aard, opgedrongen militaire dwang, gelden als vanzelfsprekend, ook voor hen, die de daaraan ten grondslag liggende groepeering openlijk hebben afgewezen. De in den soldaat hoog geprezen blinde gehoorzaamheid aan zijn meerderen heet in den arbeider het critiekloos door dun en dik volgen van zijn leiders. Al die nonsens kan men toch alleen jaar in jaar uit een niet alleen uit imbecilen bestaande massa laten slikken, wanneer de fictie eener nationale saamhoorigheid op een krachtigen schijn berust. En deze schier onuitputtelijke kracht ligt voornamelijk in de „Moedertaal", in de illusies en suggestie, die met Taal in het algemeen samenhangen. Van den volksaardpraat weet eigenlijk iedereen in zijn hart, dat het maar larie is — men gaat nota bene naar lezingen, om zich over 1 zijn eigen „nationale wezen" te hooren inlichten! — maar de Moedertaal is ook den scepticus, den cynicus, den intellectueel, zoo al geen heiligdom, dan toch een dierbaarheid, een onmisbaar bezit, althans een realiteit. Het Taal-fetischisme telt zijn aanhangers bij tienduizenden, ook, misschien vooral onder de „letterkundigen", die aldus, het zij met droefenis geconstateerd, toonen letter-onkundigen te zijn. De verklaring van dit alles zal volgen.

') Zooals Tolstoï zegt: Niemand zou als mensch tegen zijn medemenschen durven doen, wat hij als Gezagsdrager dagelijks op zich neemt. Overal de waan van de „Hoogheid van den Staat," het als ideaal verkapte kastebelang.

Sluiten