Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

135

HOOFDSTUK VIII

Hoe is het nu echter te verklaren, dat zoo velen, die van nationalisme en aristocratisme vrij zijn — of laten we liever zeggen: zouden willen zijn — toch aan de landstaal hangen als aan een bezit, een schat, althans een realiteit ?

Hier ontplooit zich nu eindelijk in vollen omvang de macht der bizarre associatie, de triomf van Levensdrift over Rede in het onvermogen om het woord te onderscheiden van wat het schijnt uit te drukken, maar nimmer wezenlijk uitdrukt. Dezelfde menschen, die wel heel goed weten, dat er geen wezenlijk verband is tusschen Mozart en de kathedraal van Chartres, tusschen het Alpentafreel en de klanken, die de bioscoopvirtuoos aan zijn jammerhout ondokt, ook al blijken die twee voortaan onverbrekelijk vergroeid, dezelfde menschen, die, m.a.w., bij machte zijn, hun impufeief-subjectieve impressies te corrigeeren met hun critisch-subjectief oordeel, deze zelfde menschen gelooven in en propageeren de fabeltjes over „kernachtige", „kloeke", „gevoelige", en in het algemeen „expressieve" woorden, welke aan soortgelijke ass ociaties en aan niets anders hun oorsprong danken.

Voor een deel is dit te verklaren uit de neiging, aan de collectieve instincten een bewijskracht toe te kennen, die men aan de individueele ontzegt en waaruit ook de voorkeur voor het collectivistisch positivisme boven de individuaüstische speculatieve wijsbegeerte is te verklaren. („Ils inventent, nous découvrons"). Doch ook maar voor een deel. De hoofdzaak is dat, als overal, waar nationalisme zijn rol speelt, ook hier onmiddellijk begripsverduistering, afstomping van den critischen zin begint op te treden. Dit is nogmaals een antwoord op de verzuchting van Spencer, dat er van den ernst, waarmee op exact wetenschappelijk gebied wordt gewerkt, niets blijkt, zoodra het ethische en sociologische kwesties betreft. Met deze dingen, en met het taalprobleem, hangen immers „idealen" samen, en zoodra het om „idealen" gaat, verwijt men den onder-

Sluiten