Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

185

en „mik — blijk geeft dat hij zich rekenschap geert van wat hij schrijft of zegt. Op dit zich-rekenschap-geven komt het aan, het zich-rekenschap-geven is de grondslag van het begrip, het criterium der intelligentie.1) Maar zoolang men wiskundigen aanleg identisch blijft stellen aan intelligentie, zoolang zal de vraag „waar blijven de knappe kinderen ?" het karakter van een verzuchting moeten dragen. De „knapheid," die in het later leven gewaardeerd wordt als intelligentie, wijst in de meeste gevallen meer op „taalkundige" begaving terug. Instinctief kent men inmiddels aan het „taalgevoel" die hoogere waarde toch wel toe, daar men immers in de literatuur van alle landen een tekort aan beschaving en zoo-geheeten cultuur altijd in stumperig en verkeerd taalgebruik, nooit in het onvermogen, om nauwkeurig te rekenen, tot uitdrukking laat komen. De vrouw uit het volk, die schrijft „dar mij sonje hoofdpein en hou ik hem mar thuiz" kent de vier hoofdbewerkingen der rekenkunde zonder haperen. Deze dienen haar in het verkeer met den kruidenier en de kennis ervan behoedt haar tegen schade. Maar wat heeft ze met de taal te maken? Zoontje, hoofdpijn, thuis is alles wat ze noodig heeft. De rest is vage heugenis aan het op school geleerde en wordt dan ook steeds op de meest hopelooze wijze door elkaar gehaspeld. Belangstelling voor de taal duidt op belangstelling voor de gedachte, op zin voor het logische, voor fijne onderscheidingen, Eenerzijds uit zich deze in een consciëntieus gebruik van de teekens der taalcode, opdat de lezer nauwkeurig wete, wat er zich in den auteur (wijsgeer of dichter) afspeelt; anderzijds uit ze zich in een richtig, doordacht gebruik van nog levende beeldsprakige woorden en zegswijzen, opdat, wat daarin zelf reeds iets uitdrukt, als zoodanig tot zijn recht kan ko-

') In welke mate dit zich-rekenschap-geven ontbreken kan bij onmiskenbaren „wiskunstigen'' aanleg, toont het voorbeeld van den bever, die voortgaat dammen te maken, ook waar geen water meer is. Zoo vertelt althans een Engelsch zoöloog die een bever bezat en gadesloeg op de bovenverdieping van een huis in Londen. Ditzelfde tekort aan algemeen levensbegrip, aan een ruimer onderscheidingsvermogen — aan alles wat men buiten de school intelligentie noemt — treft men ook bij menschen met wiskunstigen aanlegzeer dikwijls aan, doch nimmer bQ menschen, die in overeenkomstigen graad met z.g. taalgevoel begaafd zijn.

Sluiten