Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

212

wijden op een wijze, die het gebruikte adjectief, reeds cliché geworden, plotseling weer doet voelen als een wezenlijke onderscheiding. Naast een „rood beloopen oog" zet hij een „wit beloopen hemel", naast „te hoop geloopen menschen" op dezelfde wijze „te hoop geschoven stoelen". Ook met dat verwijden dient hij voorzichtig te zijn. Is de uitdrukking reeds lang cliché geworden, dus niet meer te redden, dan laat hij zijn bekommering voor de innerlijke harmonie zwaarder wegen, dan zijn zorg voor een bepaald woord en berust in het onherroepelijke. Neem echter een uitdrukking als „zijn bezinning verhezen", deze is weliswaar reeds afgestompt tot, en algemeen gangbaar voor „krankzinnig worden", maar toch nog wel voor vernieuwing vatbaar, juist omdat het woord „bezinning" voor „dieper oordeel" in den laatsten tijd aan het opkomen is. De in een der vorige hoofdstukken besproken oordeelsbelemmering tegenover het uitheemsche zou, dit alles overwogen, dus heel goed aldus kunnen worden geformuleerd, dat men tegenover het uitheemsche „zijn bezinning verliest". Het afwijkend gebruik zal hier niet geforceerd en belachelijk (als „ongedwongen" zijn handteekening zetten"), doch verrassend aandoen en op die wijze de aandacht vastnemen. Maar de grootste voorzichtigheid is hier noodzakelijk.

Hoezeer altijd de uit het woordgebruik blijkende innerlijke gesteldheid — en nooit de woorden op zich ' zelf — het mooivinden bepaalt, blijkt het beste uit den indruk, die een herhaling op den lezer maakt. Doet deze aan als ongewild, als een slofheid, dan wordt ze zelfs door kinderen en ongeoefenden als hinderlijk gevoeld, „Ze gingen laat naar bed, om den volgenden dag vroeg op te kunnen staan, en den volgenden dag hadden ze ook heel veel plezier." Hoe suf en slof. Maar nu „den volgenden dag hoefde de dokter niet meer te komen, den volgenden dag was het kindje dood". Deze soort herhaling kan in een bepaald verband dikwijls indrukwekkend zijn. Precies hetzelfde doet nu eens mooi, dan weer leelijk aan. In den eersten volzin ware al veel verbeterd door het vervangen van het „den" na de

Sluiten