Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

213

komma door „dien", niet omdat dit iets aan „klank" of „rhytme" verbetert, maar omdat de lezer dan het contact gevoelt met iemand, die zich rekenschap geeft van wat hij schrijft.

Vergelijk nog het bekende „Groote plas, groote plas, 'k wou je leeggemalen was" met „En ik hoop, U zich goed geamuseerd hebt". In beide gevallen is „dat" weggelaten, in het tweede geval doet het afgrijselijk aan, in het eerste volstrekt niet. Van „dichterlijke vrijheid" is hier geen sprake, hetzelfde laat zich in proza denken. Het is eenvoudig de aanraking met de mentaliteit, waarvan het tweede symptoon is en het eerste niet, die het gevoel van hinder opwekt, niet de constructie zelf. In een uitsluitend over literaire schoonheid handelend boek zou hierover nog veel te zeggen zijn — hier kan dit alles slechts vluchtig, als onderdeel van het betoog, ter sprake komen. Ik bedoel immers alleen, aan te toonen, dat de onderscheiding in „mooi" en „niet mooi" noch met klank noch met rhytme tezamenhangt, dat hier alles symptomatische waarde heeft, alles bepaald wordt door wat uit het woordgebruik omtrent den geest van den dichter blijkt. Daarom kan in deze dingen alleen geoordeeld worden door wie met de gebruikswaarde van het oogenblik, men kan zeggen met de koerswaarde der woorden volkomen op de hoogte is. Deze wisselt aanhoudend. Hetzelfde woord, waarvan het gebruik voor tien, twaalf jaar duidde op originaliteit, d.w.z. op persoonlijk onderscheidingsvermogen, is heden symptoom van de meest complete onmacht. Denkt, behalve aan de reeds genoemde, aan „hef" voor het tot dan gebruikelijke „geliefde", aan „lijf voor het eertijds discreter schijnende „lichaam".

Bijzonder leerzaam is in dit verband het voorbeeld van de buitenlandsche dichteres, die in het Nederlandsen ging dichten. Natuurlijk was ze van de koerswaarde der woorden niet op de hoogte, dit toch zijn maar heel enkelen, en een vreemdeling leert het nooit. Zoo ging zij dus op den klank der woorden af en het „geur" rijmen op „kleur" en „fijn" op „schijn" omdat ze dat nu eenmaal „mooi" vond. Niets van wat de dichter zoekt of

Sluiten