Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

13

geheimzinnige woorden. Volgens de geldende leer blijft hij de keus behouden. Vraagt hij later nakoming, dan is het ergste wat hem kan gebeuren, dat hij de kosten voor zijn rekening kr%t. Misschien ontsnapt hij zelfs daaraan: allicht gelukt het hem nog aan te toonen, dat aan het aanbod iets ontbrak, en dat hij het daarom niet aannam. Stelt hij den eisch tot ontbinding in, dan beslist de rechter, dat hij door zijn aanmaning het recht daarop had verworven, waarin het latere aanbod geen wijziging kan brengen". Weliswaar staat hiernaast het oordeel dat de schuldenaren dikwijls geen engelen zijn. Maar als eindoordeel wordt ons toch gezegd dat de behandeling, waaraan de geldende leer de schuldenaren blootstelt, wel wat bar is. Met de artt. 1302 en 1303 B. W. in déhand, weigert Drucker te aanvaarden, dat de kooper door het verzuim een verkregen recht op ontbinding heeft. Na het verzuim kan dus de schuldenaar door „een naar vorm en inhoud genoegzaam aanbod" zuiveren, aangezien er dan „geen wanvoidoening meer (overblijft)", die een recht op ontbinding waar maakt1). Tot aan de dagvaarding tot ontbinding zal het zeker kunnen geschieden.

Op dezelfde wijze oordeelt Hamaker. Toegelaten werd de zuivering door den Hoogen Raad in de jaren 1867») en 1870, door diverse Hoven en Rechtbanken, laatstelijk in 1884') en 1891 4). Een ommekeer kwam door de arresten van den H. R. in 1892 en 18935). Of het daarbij blijven zal? wordt dan gevraagd.

Met Drucker zegt Hamaker zulks niet te kunnen gelooven, daar hij niet kan aannemen „dat onze jurisprudentie op den duur zal vasthouden aan wat toch werkelijk niets anders is dan een dwaling" *).

') R. M. 1915, blz. 545 vlg.

*) H. R., 29 Maart 1867, W 2894.

3) Rb. Arnhem, 23 Juni 1884, W 5101.

4) Rb. Bosch, 13 Maart 1891, W 6240.

s) H. R. 31 Dec. 1892, W 6330. H. R. 14 Dec. 1893 W 6445

8) Hamaker blz. 32.

Sluiten