Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

29

en zijn „Herinnering-en". Maar zij hebben tevens alle drie het voorrecht der katheder gekend, waardoor zij het levende woord konden spreken.

Jhr. de Zoo diende de Bosch Kemper op zijn colleges de ThorBoach beckiaan Vissering van antwoord na diens intreerede als

Kemper. hoogleeraar te Leiden over „de vrijheid als beginsel der staathuishoudkunde". „De dwang van den honger — zoo sprak de Bosch Kemper toen — waardoor de broodlooze klasse in dienst is van anderen, stelt een natuurlijken slavernij daar, die de fabrieksarbeiders vaak veel zwaarder drukt dan de slavernij in de open lucht, en die in wezenlijkheid niet wordt weggenomen door de vrijheid in rechten om niet te werken, welke vrijheid in de werkelijkheid slechts in schijn bestaat, wanneer slechts volstrekt gebrek het gevolg van het niet-werken is." (XII, Dl. I, 44). „Tegenover de vreeselijke kwalen — zegt hij elders — die de samenleving teisteren, helpt slechts een meer volmaakt gemeenschappelijk leven." „De kern van het Christelijk leven is de volstrekte toewijding van den mensch aan de verwezenlijking van de Goddelijke gedachte. Hij, die zijn leven daaraan ten offer brengt, vindt het ware leven. Detercar ut prosim is een spreuk van het Christelijk bewustzijn." De samenleving der menschen is uitgangspunt en doel tegelijk. Aan die gedachte wijdde hij zijn werk „De Staat der Zamenleving". „Hij geloofde in een vervorming en bewuste herschepping van de menschelijke maatschappij door de menschheid zelve in liefde en zelfstandige vrijheid." (XII, Dl. I, 49). „Het ware leven is de openbaring van den geest, die in het wezen woont. De bestemming der menschen is het zelfstandige, door eigene overtuiging bezielde leven der persoonlijkheid, in vrije overeenstemming met den volmaakten Geest" (XIV, 677). „Alle leden der samenleving moeten de bewustheid erlangen, dat zij geroepen zijn het werk te volbrengen, waartoe het 'lidmaatschap van het groote geheel hen roept." (Id. 803). „De arbeid moet de mensch vormen tot zijn bestemming, hij mag hem niet verbruiken." (Id. 806). „Behalve den grooten invloed, die zedelijke en godsdienstige overtuigingen uitoefenen op den arbeid en het gebruik van het kapitaal, is er nog een hooger verbond tusschen de staathuishoudkunde en het godsdienstige leven. Het verkeer der menschen in betrekking tot de stoffelijke goederen, vormt een onderlinge betrekking van wederzijdsche diensten. De staathuis-

Sluiten