Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

31

alleen door de aardsche zamenleving zijn bestemming kan bereiken en wordt de zamenleving vol van waanzinnige dweepers. Wanneer men daarentegen bij de zorg voor het aardsche zich bepaalt, dan heeft men noodwendig een onnatuurlijk menschenrijk, een zamenleving van wezens, die halverwege zich ontwikkelen, en noch waarlijk dier, noch waarlijk mensch zijn. Met de bestemming van het menschenrijk tot een rijk der geesten is het overeenkomstig, dat de menschheid met zelfstandige inspanning des geestes zich zal verheffen tot den volmaakten Geest (XIV 138).

Martinus Een sterkere geest nog, dieper en rijker, haast te groot des voor deze wereld is Martinus des Amorie van der Hoeven.

Amorle Zijn devies luidde kort: „Wilt gij van de natie iets maken,

van der werp dan een edele hartstocht in de ziel van het volk".

Hoeven. Hij was een wondere geest. „Wat zoudt gij zeggen, wanneer eens de poëzy het ware proza was? Voorzeker, het laatste woord, dat aan deze schoone wereld ten grondslag ligt, is geen plat proza. De poëzy komt er nader bij. Weest materieel, zooveel gij wilt: maar bedenkt, dat als eens de schellen u van de oogen zullen zijn gevallen, en gij, uit het gebied van zinnenscnijn en ij delheid, in het rijk van leven en waarheid zult zijn overgegaan, de materie zal blijken niet het allermateriëelste geweest te zijn. Weest positief zooveel gij het zijn wilt; maar die door u geestdrijvers en dweepers worden genoemd, zijn welligt inderdaad positiever dan gij" (XVI, 17). Is hier niet een profeten-natuur aan het woord? Zoo althans ervoeren zijn studenten het op zijn colleges. En wie zijn antwoord leest aan prof. Opzoomer, komt van zelf onder de diepe bekoring van zijn geheele wezen. „Wat

Iis godsdienst?" Hij vindt het antwoord in het evangeliewoord: „Mijn Vader werkt tot nu toe en ik werk ook" „Wat is dat werk van God?" Zijn antwoord luidt: 1°. „de verandering der menschelijke maatschappij van een Koningrijk der hemelen (een rijk van geesten). Het is niet noodig het ligchaam te ontvlieden, om reeds aanvankelijk te worden opgenomen in het geestenrijk".

2°. „het Koningrijk der hemelen is in de tweede plaats één gemeenschappelijk rijk der geesten. De burgers van dat rijk zijn ware individua (a non dividendo)".

3°. „Eindelijk is het Koningrijk der hemelen een rijk van God. Geen anderen wil, dan de wil van het Hooeste wezen (XVII, 9—12).

Een weergave van dit schoone boekje is niet doenlijk,

Sluiten