Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

35

maken van dat vraagstuk een winstgevend beroep." „In de maatschappelijke verhoudingen, dat zijn de betrekkingen, waarin de menschen zich tot elkaar stellen in hun stoffelijke omstandigheden, komt tot op zekere hoogte het Wezen der menschen tot uitdrukking. Uit de maatschappelijke verhoudingen van een zekeren tijd kunnen wij aflezen de geestelijke ontwikkeling, welke de meerderheid der menschen in dien tijd bereikt heeft. Zoo zullen zekere algemeene verschijnselen van godsdienst, kunst, beschaving altijd samengaan met bepaalde maatschappelijke toestanden. Onze maatschappelijke verhoudingen, de kapitalistische productiewijze openbaren een levensopvatting, die niet heenwijst naar Godsvereering in geest en waarheid.

Maar er is altijd in den mensch veel meer aanwezig, dan wat tot uitdrukking kan komen in de maatschappelijke verhoudingen. Zelfs in onze individueele daden kunnen wij niet alles verwezenlijken wat zich roert in ons binnenste. Hoeveel te minder dan in de maatschappelijke verhoudingen, welke zich slechts leenen tot enkele hoofdvormen.

Maar nu komen er op de banen van de geestelijke ontwikkelingen der menschheid tijden, dat besliste tegenspraak ontstaat tusschen de overgeleverde maatschappelijke verhoudingen en het innerlijke leven, waarvan men zich bewust gaat worden. Dan worden de maatschappelijke toestanden een dwingende macht.

wij moeten ons aaneensluiten tot bewegingen voor een nieuwe maatschappij, in den naam van God, in den naam van menschengeluk.... Wü doen dit uit dorst naar God, uit begeerte naar het heilvolle leven in gemeenschap met de oneindige Liefde." (XX).

Deze laatste door mij gecursiveerde woorden uit de Koe's Afscheid van de Kerk wijzen zeer juist in de richting der koloniebeginselen. Voor wie daar tesamen kwamen wonen, móest het leven zijn „toewijding, een offer, liefde ieders drijfveer, kameraadschap de onderlinge band." De kolonie kende geen dwingende macht, die allen moest binden, en toch, wij mogen geenszins spreken van ordeloosheid in het beginsel. Het is juist haar klacht, dat er, in dieperen zin „geen orde in de levens der menschen onderling" is. Die hoogere orde verwachtten de kolonisten nu in een socialistische samenleving. Maar noch bij den S.D. A. P., noch bij het revolutionair socialisme vinden zij bevrediging. De socialist heeft geloofd en gesproken, maar niet gedaan.

Sluiten