Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

5

Hierboven werd melding gemaakt van het besluit tot het bouwen van een lijkoven. Deze bouw van zoo cardinaal belang, verdient uitgebreide vermelding.

De bouw van een lijkoven eischt uiteraard terrein om op te bouwen. De pogingen om daartoe te geraken, dateeren van 1879. Reeds toen werd op de Alg. Vergadering een voorstel van het Hoofdbestuur behandeld en aangenomen om te onderzoeken of in de provinciën Noord- -en Zuid-Holland, Utrecht of Gelderland gelegenheid zou bestaan op het terrein eener begraafplaats een lijkoven op te richten. Tot tien gemeenten werd de aanvraag gericht: Amsterdam, Rotterdam, 's-Gravenhage, Utrecht, Arnhem, Leiden, Haarlem, Zutphen, Nijmegen en Delft en tot de begraafplaats Eik en Duinen bij den Haag. De antwoorden waren alle ongunstig. Men trok toen de zeer juiste conclusie, dat men zou moeten wachten totdat de Vereeniging in staat zou zijn om zelf terrein te koopen, en tevens den bouw van een oven te bekostigen. In 1883 stelde Dr. J. E. de Vrij (de oude) den bouw van een lij koven wederom aan de orde — maar moest het opgeven tegen het tegenvoorstel van Dr. Egeling, om eerst te trachten het ledental grooter te maken. Het duurde tot 1889 eer wederom de bouw van een crematorium ter sprake kwam. Het was naar aanleiding van een onder de punten der agenda voor de Alg. Verg. opgenomen vraag: Welke middelen kunnen door de Vereeniging aangewend worden om gezonde denkbeelden omtrent de L. meer onder de oogen van het pubhek te brengen ? Als gevolg van die vraag hadden de afd. den Haag en Rotterdam ieder een voorstel ingediend om in beginsel te besluiten zoo spoedig mogelijk een lij koven te doen bouwen; terwijl door Leiden was voorgesteld om een commissie samen te stellen, belast met het ontwerpen van een wet, regelend de L. in Nederland. Na een zeer geanimeerd debat, waarbij ook de juridische kwestie sterk op den voorgrond trad, nam de Alg. Verg. het besluit om zoo spoedig mogelijk hier te lande een lijkoven te bouwen. Daarop volgde een bespreking over de plaats waar, en eventueelen aankoop van grond. In verband met deze besluiten benoemde daarop het H.B. uit zijn midden een commissie, bestaande uit de H.H. A. J. C. J. S. Bergsma te Amsterdam, M. Symons te Rotterdam en Jhr. H. T. Hora Siccama te 's-Gravenhage. Op de Alg. Verg. in 1890 kon deze commissie alleen mededeelen, dat zij het in het belang van loopende ónderhandelingen beter vond te zwijgen. Alleen werd geconstateerd, dat wel het geld voor een oven aanwezig was, maar niet voldoende voor het bijbehoorende gebouw. De Alg. Verg. van 1891 ontving een buitengewoon mooi uitgewerkt rapport van de Lijkovencommissie (B. M. 1891. n° 3, pg. 59). Na ampele bespreking werd toen het besluit genomen tot aankoop van een bouwterrein te Hilversum en tot het stichten daarop van een crematorium, met columbarium. In aansluiting aan dit besluit verscheen daarop een oproep van het H.B. aan de leden om deel te nemen aan het bijeenbrengen van een som van / 20.000, die naar schatting en raming ontbrak aan het kapitaal, benoodigd voor den bouw van een crematorium, naar vorm en voorkomen Nederland zooveel mogelijk waardig. Men vroeg vrijwillige bijdragen van /100 of / 50—, dus renteloos, maar met de kans dat deze uitgeloot zouden worden met 25 % winst. Op de Alg. Verg. van

Sluiten