Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

10

worden toegelaten (en verwarmd) naar de verbrandingsruimte om mede te werken aan de eigenlijke verassching. Aan deze ovens ontbreekt dus, wat Siemens noemde, de regenerator, d.w.z. het groote kanaal, dat ingeschakeld was tusschen den vuurhaard en den oven, en dat, omdat daarin grootendeels de verbranding van het gas, uit de cokesontwikkeld, plaats had, nog hooger hittegraad kreeg dan de oven zelf. Het verlies van deze hittebron is van groote beteekenis. Ten einde dat verlies te compenseeren worden bij deze soort ovens de recuperatorkanalen dan ook extra verwarmd door een tweeden oliebrander, die in den onderbouw van de verbrandingsruimte is aangebracht en evenzeer zijn verbrandingsgassen afvoert door dezelfde rookkanalen alsde bovenbrander in de verbrandingsruimte. Zijn nu èn verbrandingsruimte èn onderbouwkanalen voldoende verhit (± iooo" de eerste en ± 600—8000 C. de kanalen) dan worden de branders buiten werking gesteld en kan de crematie aanvangen.

In ons crematorium werkt een olie-oven. Toen de lijkovencommissie van 1889 haar rapport inleverde omtrent terreinaankoop enz., luidde het 3e deel van haar voorstel voor de vergadering van 1891: dat de vergadering zou besluiten in het te bouwen crematorium te plaatsen een oven van Bourrij.

De oven van Bourrij is een Siemens-oven. Gelijk hierboven medegedeeld, stookt Siemens den „regenerator" witgloeiend. Bij de crematie wordt, gelijk reeds gezegd, de hitte van dien „regenerator" afgegeven aan de door de kanalen van den regenerator stroomende lucht. Hoe langer nu het proces duurt, hoe minder warmte de regenerator overhoudt om aan de koude lucht af te geven en ten slotte koelt de regenerator geheel af. Om dit nu tegen te gaan, stookte Ir. Bourrij door, maar, als het lijk was ingevoerd, niet meer dóór den regenerator, maar óm den regenerator heen. De verhitte lucht, die in de verbrandingsruimte werd gevoerd, bleef zuivere verhitte lucht, maar de afkoeling van den regenerator werd tegengegaan doordien, nu om de kanalen aan de buitenzijde, steeds opnieuw warmte werd toegevoerd. Dat was ongetwijfeld toen het beste systeem en de vergadering besloot dan ook tot de plaatsing van een oven Bourrij. Van den bouw echter kwam niets en dus verviel ook de uitvoering van dit besluit.

Ongeveer twintig jaren later stond het Dag. Bestuur, dat als bouwcommissie voor het crematorium fungeerde, wederom voor de taak een oven en een ovenbouwer te kiezen. Omtrent den oven stond natuurlijk vast, dat alleen heete-lucht-verbranding in aanmerking kon komen. Eigenlijk bestonden er toen slechts twee aanbevelenswaardige systemen, van Schneider en Klingenstierna. Beide waren goed — de eerste nogal kostbaar in aanbouw, de tweede goedkooper, maar, daar toen nog ijzeren kanalen werden gebruikt, veel meer reparatie eischende. In deze moeilijke phase der keuze, had de bouwcommissie het voorrecht in aanraking te komen met de firma Custodis. Deze was bereid een oven te bouwen van ongeveer hetzelfde systeem, in dien oven de toen (en zelfs nu nog) zeer zeldzame okeverhitting aan te brengen, en — was voordeeliger in zijn aanbieding dan anderen. De olieverhitting was door de commissie op den voorgrond geschoven, omdat de aanvoer van brandstof naar het betrekkelijk moeilijk bereikbare crematorium om der transportkosten wille, van groote beteekenis was.

Sluiten