Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

14

land, om daar een graf te krijgen. Ook de Joden pasten bij epidemieën verbranding toe in het dal van Tophet. Bij hen, de Assyriërs en de Babyloniërs stond de crematie in hoog aanzien, maar in den loop der tijden werd zij ook daar voor de kleinen weer te duur, zoodat ze door begraving werd vervangen. Dat de verbranding voor eenhooge onderscheiding gold, blijkt uit den Bijbel. Saul en zijn zonen werden verbrand (i Sam. 3, 1: 11 en 12), terwijl 2 Kron. 21: 19 verhaalt, dat aan Koning Joram de crematie werd geweigerd wegens zijn berispelijken levenswandel. Zoo leggen althans sommigen dien tekst uit, maar wij voor ons zijn van deze exegese niet zoo zeker. Er wordt op meer plaatsen in het O. T. gesproken van „een grooten brand", welken men voor koningen en rijksgrooten aanrichtte, maar in één geval wordt het lijk van den koning na den grooten brand nog begraven, zoodat men meer aan een eere-vuur voor den hoogen doode denkt.

Tacitus verhaalt het en de tallooze urnen, overal in Duitschland gevonden, bevestigen het, dat onder de Germanen verbranden gewoonte was.

Voor de eerste Christenen was de bezorging der dooden een adiaphoron, een zaak van geen belang.

In den eersten tijd verbrandden zij hunne uit het Heidendom aangeworven geloofsgenooten en zij begroeven hen, die uit het Jodendom overgekomen waren, overeenkomstig de in beide groepen heerschende gewoonte. Zooals men weet, is de kleine man de apostel van het Christendom geweest en hij miste het geld voor den brandstapel. Daarbij kwam, dat de eerste Christenen een spoedige wederkomst van Christus verwachtten en aan de lichamelijke opstanding der dooden geloofden, overwegingen en beschouwingen, die uit den aard der zaak de begrafenis tot gewoonte moesten maken. Nadrukkelijk zij er echter ook hier op gewezen, dat nog tot in de vierde eeuw de crematie onder de Christenen veelvuldig voorkwam en dat pas Karei de Groote door zijn decreet van 785 aan de crematie gedurende ruim 1000 jaar in Christenlanden een einde maakte. Het decreet van Paderborn luidt:

„Met den dood moet gestraft worden hij die naar de gewoonte der heidenen het lijk van een mensch door de vlammen laat verteren en de beenderen van denzelve in asch veranderen laat. Wij bevelen, dat de lijken der Christelijke Saksers op de kerkhoven en niet in de grafheuvels der heidenen gebracht worden."

Het heeft in alle landen geweldige moeite gekost, den invloed van Karei den Groote te niet te doen en nog is dit lang niet overal gelukt.

In de Middeleeuwen treedt hier en daar onder de volken een schrijver op, die voor de crematie in het geweer treedt. Wij noemen Gvraldus in 1539, Kirchmann in 1661, Browne in 1669, Garmann in 1700, Haguenot in 1747. Zeer opmerkelijk is, dat in 1656 mgr. Mattia Naldi, arts en geheim kamerheer van paus Alexander en mei diens goedkeuring zijn Regole per la cura del contagio (regels voor het voorkomen van besmetting) schreef, waarin hij op bladzijde 58 zegt: „Geenszins kan als verafschuwingswaardig gelden wat door zoovele eeuwen in eere werd gehouden. Tusschen verbranding en begrafenis bestaat geen ander onderscheid dan dat bij de verbranding de lijken op geheel dezelfde wijze maar veilig vernietigd worden, zooals de tijd zulks, maar onder velerlei gevaar, ook doet."

Professor A. Corradi bewijst in zijn boekje Annali delli epidemi,

Sluiten