Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3*

verwees hij naar het wetsontwerp van Casimir Pérter, Paul Bert, Gambetta en andere kamerleden, dat bij de Kamer was ingediend. De hoofdcommissaris raadpleegde daarop den Gezondheidsraad. Deze adviseerde onder invloed van Dr. Broüardel ongunstig. De Gezondheidsraad overwoog, dat er nog geen enkel verasschingsapparaat bestond en dat zoo'n apparaat toch slechts een gering deel van de besmettelijke lijken zou kunnen verasschen; dat de behandeling welke het stoffelijk overschot voor de verassching zou moeten ondergaan veel meer gevaar opleverde dan de gewone teraardebestelling; dat het gevaar van een begraven choleralijk in geenen deele bewezen was; dat geen crematie zou mogen plaats hebben zonder sectie en zonder onderzoek der ingewanden; dat men voor dat onderzoek nog een aantal deskundigen zou moeten opleiden en eindelijk dat de Justitie door crematie in haar taak zou kunnen worden belemmerd.

Regeering en hoofdcommissaris vonden in dit advies aanleiding, het gevraagde verlof te weigeren.

De Kamer zette echter door en zij gaf midden 1885 machtiging tot de verassching van z.g. hospitaallijken. Onmiddellijk daarna werd met den bouw van een oven op Père la Chaise begonnen, zoodat deze 1 Maart 1886 kon worden ingewijd.

De Regeering trachtte nog te redden wat te redden was en zij diende een wetsontwerp in, waarbij de crematie wel werd toegestaan, doch alleen voor l^pitaalhjken en embryo's, alsmede in tijden van epidemieën. Mr. Blatin amendeerde echter de wet en de Kamer steunde hem, zoodat 31 Maart 1886 de datum werd, waarop aan eiken meerderjarige en eiken geëmancipeerden minderjarige het recht .werd gegeven, vrijelijk over zijn stoffelijk overschot te beschikken.

De crematie had daarmee in Frankrijk het pleit gewonnen. In de eerste jaren werd echter nog niet druk van die vrijheid gebruik gemaakt. Wel kreeg in 1889 Parijs zijn eigen crematorium, maar het aantal verasschingen bedroeg het eerste jaar slechts 49, het tweede 121, het derde 134, het vierde 159, het vijfde 189, het zesde 216, het zevende 187, het achtste 200, het negende 210 enz. tot en met 1903, 231, 243, 297, 306, 209 en 306 te zamen 3147.

Hoewel een rijke bewonderaar geheel uit eigen middelen aan Reims een prachtig crematorium schonk, bleef dit jaren lang geheel ongebruikt. Rouaan bouwde in 1899 een crematorium. In het eerste jaar werden 5, het tweede 4, het derde 0, het vierde 6 en het vijfde 7 lijken verascht, in het geheel tot 1903 22.

De zetel van de Société pour la propagation de lTntinération is Alfort (Seine), 4 rue Bouley. Haar voorzitter is op het oogenblik Adolphe Pinard, professor in de geneeskunde aan de universiteit van Parijs, en haar algemeene secretaris Gustave Barrier te Alfort (Seine), 4 rue Bouley. De Vereeniging staat open voor allen, die voorstanders van crematie zijn en beloven haar te zullen bevorderen. De contributie bedraagt 12 fr. per jaar of 180 fr. ineens. Begunstiger wordt men voor 3 fr. en 48 fr. donateur voor op z'n minst 500 fr.

De zaak der lijkverbranding gaat in Frankrijk, als ze dat al doet, zeer langzaam vooruit.

Sinds 1889 zijn tot en met 1923 in Frankrijk op verzoek der familie verascht 13344 lijken. Hoe -weinig schot er in de beweging zit,

Sluiten