Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET GOEDE RECHT DER LIJKVERBRANDING

door

Mr. C. W. Stheeman, Vice-President der Arr. Rechtbank te Leeuwarden.

Het vraagstuk der lijkverbranding heeft vele zijden, sommige van materieelén aard, andere van geestelijke beteekenis. De geest is vele malen meerder dan de stof en daarom kan bij de bespreking van het vóór en tegen aan materieele overwegingen in geen geval meer dan een uiterst bescheiden plaats worden ingeruimd. Vaak is gewezen op de groote besparing van grond, die van een algemeen gebruik van crematoria het gevolg zou zijn, terwijl tegenstanders reeds bij voorbaat treurden over de onttrekking van een zoo belangrijke hoeveelheid ammoniak aan den bodem, waarop de voorstanders antwoordden met woorden van troost, ontleend aan de door hen verwachte verrijking van de lucht met waardevolle bestanddeelen. Men moest zich eigenlijk schamen om in een zoo teere zaak als de verzorging der dooden elkaar met argumenten van dergelijk grof kahber te bestoken. Niemand trouwens, die kan gelooven, dat deze, hoe plomp en zwaar zij ook mogen zijn, bij de beslissing ook maar eenig gewicht in de schaal zullen leggen.

Van beter gehalte is ongetwijfeld het hygiënische argument, dat spreekt ten gunste der crematie. Maar wie der tegenstanders die zich daardoor zal laten vangen in den tegenwoordigen tijd, nu aan den aanleg en het onderhoud der kerkhoven goede zorg wordt besteed, nu de ernstige epidemiën welhaast ganschehjk zijn verdwenen en nu een ongunstige invloed der begraafplaatsen op den gezondheidstoestand der bevolking zeer moeilijk meer aanwijsbaar schijnt ? Ongetwijfeld, begraving sluit in zich de mogelijkheid, hoe gering dan ook, van besmetting; verbranding is zekerder en ceteris paribus zou men dus deze laatste moeten verkiezen, maar het is volmaakt begrijpelijk, dat hij die een ook maar eenigszins krachtigen tegenzin tegen de crematie heeft, het hygiënisch motief niet laat gelden.

Op een ongeveer even hoog peil als het zoo juist behandelde moet, in beginsel, het justitieele argument worden aangeslagen: de openbare gezondheid en de algemeene veihgheid zijq rechtsgoederen van ten naastenbij gelijke waarde. Wij zullen ons evenwel met de criminalistische zijde van het vraagstuk eenigszins langei moeten bezighouden, omdat aan dien kant voor de crematie nog steeds gevaar dreigt.

Verbranding dan, zoo betoogt men, doet de sporen van een misdrijf verloren gaan, veel meer dan begraving. Toegestemd, maar: un homme averti en vaut deux. Maatregelen kunnen worden genomen, zóó, dat redelijkerwijs gesproken, geen crematie plaats vindt, vóórdat vast-

Sluiten