Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

56

biddellijk voor den eersten den voorrang op te eischen. De noodzakelijkheid van het vinden van een bevredigenden uitweg ziet men in: de kwestiën van den eedsdwang en de dienstweigering zijn daarvan sprekende voorbeelden. Een soortgelijk conflict doet zich voor bij de aangelegenheid der lijkverbranding. Dat dit door de tegenstanders, stelselmatig wordt over het hoofd gezien, dat deze de crematie steeds beschouwen als een uitvinding van een bij uitstek materialistisch denkenden geest, is de ernstigste grief, die tegen hen valt in te brengen. — Men schijnt het in het andere kamp maar niet te willen inzien, dat het voor de voorstanders der hjkverbranding, althansvoor zeer velen onder hen, gaat om de meest teere gevoelens, om hun hefde voor wie hun het naast bestaan. Zeker zijn er onder hen vogels, van zeer diverse pluimage, maar het is duidelijk, dat men voor de waardeering van een geestehjk verschijnsel slechts met de hoogste motieven, die daarbij hun invloed hebben doen gelden, mag te rade gaan.

Het alles overheerschende motief voor het aanhangen der crematieidee is voor zéér velen dit, dat het voor hen een martelende, ondraaglijke gedachte is, dat het stoffelijk overschot van wie zij innig hebben liefgehad — een liefde die onafscheidelijk is verbonden geweest aan de uiterlijke verschijning — in het graf aan eene langzame, afzichtelijke vernietiging zal worden prijs gegeven. Zij zien in de in zwang zijnde methode om de graven met bloemen te tooien en met de grootste zorg te onderhouden, en om onder den grond het verwordingsproces, rustig zijn gang te laten gaan, eene onbegrijpelijke, innerlijke tegéh-r strijdigheid; zij beschouwen deze als een bezwaarlijk te verdedigen struisvogelpohtiek en kunnen althans voor hun eigen geweten met die politiek geen vrede hebben.

Het sentiment is een van de machtigste drijfveeren voor de menschehjke gedragingen, en zeker is het waar, dat niet altijd de wetgever daarvoor uit den weg kan gaan en dat er ook veel valsch en kinderachtig sentiment wordt aangetroffen, maar wie zou eerbied durven te onthouden aan het gevoel, dat verband houdt met de piëteit voor de dooden ?

Het is dan ook voor de mannen en vrouwen der crematie doorgaans niet de angst voor wat later met hun eigen lichaam zal gebeuren, die hen drijft. Herhaaldelijk kan, wie luisteren wil, het hooren verklaren, dat men vrijwel, of volmaakt, onverschilhg staat tegenover de vraag, hoe met het eigen hjk zal worden gehandeld, maar dat men den hoogst mogehjken prijs ér op stelt, dat het stoffelijk overschot van echtgenoot, kinderen, of ouders voor de ontwijding van het vernietigingsproces in het graf moge gespaard blijven. Maar hoe dan, zal gevraagd worden, ,als die nabestaanden zelve daarover nu eens anders denken? Het is ten zeerste te hopen, dat door onderlinge bespreking in den boezem der gezinnen over dit zoo bij uitstek belangrijke onderwerp eeristemmigheid moge worden verkregen, althans in dien zin,, dat allen vrijheid verleenen om na hun overlijden over hun hchaam te beschikken zooals de hefde dit ingeeft. Gelukt dit niet, dan spreekt het wel vanzelf, dat de nabestaanden den wil van den overledene, hoezeer ook met bloedend hart, zullen eerbiedigen. Hun blijft dan mets. anders over, dan te trachten, met zoovele andere mee, te gaan struisvogelen.

De wil van den afgestorvene is heilig; ook de crematievoorstanders,

Sluiten