Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

57

Duigen daarvoor het hoofd. Maar de wetgever van 1869 houde hun ten goede, dat zijn wil voor hen niet staat op gelijken trap van heiligheid. Zóó dus is voor hen het dilemma: zullen wij gehoorzamen aan de stem van den wetgever of aan die van ons gevoel, aan die krachtige stem in ons binnenste, die ons gebiedt, onze dooden te «eren ? En daarenboven zal deze stem, indien de overledene zijn wensch om te worden verbrand heeft kenbaar gemaakt, hen wijzen op hun zedelijken plicht, zich naar dien wensch te gedragen. Is het wonder, dat de schaal naar die zijde doorslaat, vooral als de stem van den wetgever zóó weinig krachtig heeft geklonken als dit in 1869 het geval is geweest ?

Dat de verboden handeling niet strafbaar is, is daarbij van slechts zéér secundair belang. Voor een rechtgeaard staatsburger toch is het verbod meerder dan de strafbedreiging. Het spreekt dan ook vanzelf, dat zij, die het inderdaad ernstig met de crematie meenen, voor eene strafvervolging niet zouden terugdeinzen, dat zij hun gemoedsrust met betrekking tot hun geliefde dooden zeer gaarne voor een door den rechter hun op te leggen straf zouden koopen. Trotseerde niet reeds in de grijze Oudheid de heldin van de Grieksche tragedie, Oedipus' subheme dochter Antigone, Koning Kreon's doodsbedreiging om haar onder Thebe's muren in den strijd gevallen broeder Polynikes te eeren en hem de begrafenis te verstrekken, die hem door Kreon werd onthouden ?

Tegen een zoodanige krachtproef zou ongetwijfeld de overtuiging van slechts weinige voorstanders der crematie thans nog bestand zijn, doch de veronderstelhng schijnt niet gewaagd, dat het met die hunner bestrijders wel niet veel beter zal zijn gesteld. Maar daar gaat het niet om: de strekking van het aangehaalde voorbeeld zal wel door niemand worden misverstaan.

Is dus principieel het ontbreken van strafbedreiging van zeer ondergeschikt belang, toch is er alle reden tot dankbaarheid dat de wet van 1869 die leemte bevat. Want ware de strafrechtelijke verantwoordelijkheid in de wet voldoende geregeld, dan zou, meer dan waarschijnlijk, de regeering gemeend hebben niet tevreden te mogen zijn met eene strafvervolging, telkens wanneer het verbod werd overtreden, maar zich ook gerechtigd en verplicht hebben gezien om de crematie, door preventief optreden, geheel te verhinderen.

V.

De vraag: begraven of verbranden, is louter een gevoelskwestie. Het machtige motief vóór de crematie is het afgrijzen van wat in het graf geschiedt. Is er nu niets in het natuurlijk sentiment, dat zich tegen de lijkverbranding kant ? Zeer zeker, en het is dan ook naar onze meening datzelfde, maar op een geheel ander punt gebaseerd gevoel, dat de tegenstanders er toe beweegt om, met van alle zijden bijeengegaarde, doch zonder uitzondering onhoudbare argumenten, zich met hand en tand tegen de crematie te verzetten. Men meene niet, dat wat hun zoozeer tegenstaat, den voorstander onberoerd laat. Met volle overtuiging bekent hij zich een mensch, die zich niets menschelijks

Sluiten