Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

6i

dachtmakingen en valsche beschuldigingen heeft het waarlijk niet ontbroken ; en geen middel, hoe ongerijmd, onwaardig of onrechtvaardig ook, is versmaad om de crematie in 't oog der geloovigen zwart te maken als een uiting van Heidendom, verleiding tot ongeloof en stofvergoding, propagandamiddel voor materialisme enz. Zonder blikken of blozen wordt beweerd, dat de voorstanders der crematie haar zouden aanwenden ter bestrijding van het onsterfehjkheidsgeloof, alsof dezen er eenig belang bij zouden hebben, dat anderen niet aan de onsterfelijkheid geloofden.

Daarenboven, het is toch al te dwaas, de al dan niet onsterfelijkheid onverbreekbaar vast te knoopen aan het al dan niet begraven worden; en nergens dan ook geschiedt dit in de Heilige Schrift der geloovigen. Wanneer de Christenen oorspronkelijk hunne dooden begroe'Wan, dan was dit niet anders dan eene voortzetting van de wijze van behandeling, in gebruik bij de Joden, maar niet omdat zij van meening waren dat zij anders de hoop des eeuwigen levens zouden moeten prijsgeven. Het onder den grond gebrachte lijk toch wordt zeker niet als zoodanig in herrijzenis opgewekt; en neemt men de voortzetting aan van onze persoonlijkheid in een ander bestaan en in eene andere wereld, dan is die toch zeker onafhankelijk van de lotgevallen van de aardsche stoffelijke overblijfselen, wil men niet vervallen in al te kinderlijke en minderwaardige voorstellingen. Hoe ware het anders wel gesteld met al diegenen, die buiten hun schuld of verkiezing om, door martelaarschap, ongeval of anderszins hun dood in de vlammen vonden, om van andere ongewone levensuiteinden niet te spreken. Geraakt men niet in de zonderhngste ongerijmdheden, wanneer men onsterfelijkheid en begraven worden aan elkander gaat vastkoppelen en zoodoende een verband gaat leggen tusschen twee volkomen heterogene grootheden ? Want aanvaardt men wèl het bestaan van een dergelijk onafscheidelijk verband, dan wil dat niet anders zeggen dan dat de ziel niet zou kunnen voortbestaan zonder het begraven stoffelijk overschot en daarvan in haar voortbestaan afhankelijk zou zijn; terwijl wij toch heel goed weten, aan welke lotgevallen van scheikundige •ontbinding en uiteenvalling dat overschot na zijn begraven onderhevig is.

Maar, zoo is beweerd, de l^kverbranding wordt verworpen door den Bijbel en door het Christelijk bewustzijn 1 Evenwel, het eerste is een onwaarheid, want in den Bijbel wordt er heel niet over gesproken en van een verbod is heel geen sprake. Aan de mogelijkheid ervan is trouwens in 't geheel niet gedacht; de omstandigheden en aanleidingen daartoe deden zich niet voor. De vraag is niet gerezen; en hoe anders het antwoord er op zou zijn uitgevallen en de zaak beoordeeld, is moeilijk achteraf uit te maken. Trouwens hoe de oude Israëlieten daaromtrent mogen gedacht hebben, behoeft voor ons geen bindende kracht te bezitten, waar wij ook in zoovele andere opzichten van hunne zeden en gewoonten zijn afgeweken.

En wat dat Christelijk bewustzijn betreft, moeten dan al die Christenen, welke geen moreel bezwaar hebben hun lijk te doen verbranden, eenvoudig in hun bestaan genegeerd worden ? Sedert wanneer ligt het specifieke van het Christelijk bewustzijn in de doodenbehandehng ? Het is zeker mal, wanneer sommige heethoofden en crematie-fanatici de vele woningen van het Vaderhuis hebben willen verklaren als eene •

Sluiten