Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

68

daaraan is voorafgegaan, als een plotseling, onverklaarbaar ziek worden, vreemde ziekteverschijnselen, ongesteld worden telkens na den maaltijd of na het gebruiken van toegezonden lekkernijen, enz.

Heeft men aldus naar alle menschehjke berekeningen de mogelijkheid uitgesloten, dat het lijk verbrand Wordt van iemand, die buiten weten der justitie door een misdaad om 't leven is gekomen, dan is er ook geen reden meer, van strafrechtelijk standpunt het begraven boven het verbranden te prefereeren. Ja, aan verbranding na deze voorzorgen moet ten zeerste de voorkeur gegeven worden boven begraven zonder die maatregelen, want de verbranding zal dan niet alleen het ontdekken van misdaden niet verhinderen, de boven omschreven wijze van handelen zal die ontdekking zeker bevorderen en daardoor van het begaan van die misdaden afhouden. Want menigmaal zal een misdadige dood geconstateerd wörden, als niemand aan iets anders dan een natuurlijken dood, aan zelfmoord of aan een ongeluk gedacht had. Ware dan het lijk begraven, dan zou het bij een later vermoeden van misdaad zelfs menigmaal te laat geweest zijn, om de doodsoorzaak nog vast te stellen.

Nog een ander belangrijk voordeel zou door deze wijze van handelen worden verkregen. Menigmaal ontstaat vermoeden van misdaad, nadat de persoon, tegen wien deze zou zijn gepleegd, reeds lang begraven is, wordt b.v. iemand uit zijn omgeving beschuldigd, hem te hebben gedood. Is de lijkopening dan vruchteloos wegens den gevorderden staat van ontbinding, dan blijft de verdenking op den vermoedelijken dader misschien ten onrechte levenslang rusten. Ware het lijk verbrand, nadat bovenomschreven voorzorgsmaatregelen hadden plaatsgehad, dan zou het gerucht onmiddellijk tot zwijgen gebracht kunnen worden door het bewijs, dat bij het gehouden onderzoek elk vermoeden van misdaad uitgesloten bleek te zijn.

Dit onderwerp werd behandeld op de zevende bijeenkomst der Duitsche Vereeniging voor Gerechtelijke Geneeskunde te Karlsruhe (23 tot 26 September 1911). De vergadering kwam in hoofdzaak tot dezelfde opvatting als hierboven uiteengezet. Het verslag dier vergadering, toegelicht met voorbeelden van misdaad, waar oogenschijnlijk een natuurlijke dood of een ongeluk plaats had gehad, en andere op dit gebied merkwaardige gevallen is te vinden in de „Vierteljahrschrift für gerichtliche Medizin; Dritte Folge Band XLIII Supplement-Heft II, Jahrgang 1912, blz. 223 vlg.

Sluiten