Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

7i

vet van een mensch wel verandert wort maar niet zoodanig vergaat, gelijkerwïjs de andere delen van 't lichaam: want het wort zo hardt als (sebum, adeps) smeer of ongel, en zoodanig blijft het.

„Ik hebbe toen ook gezien, dat zommige dode lichamen met haar gedaante ook zwarte slijk verbeelden, dat andere hardt, droog, en ingekrompen waren, en zommige, dog zeer zeltzaam, in een grijscouleurde stof veranderden."

Het lijkwas werd meer bekend door de mededeelingen van den beroemden natuuronderzoeker Boyle (1661) en werd uitvoerig onderzocht door Fourcroy en Thouret, die in 1786—1787 opgravingen verrichtten op het kerkhof der enfants innocents te Parijs, waar niet minder dan 20000 lijken uit verschillende tijdperken begraven waren. In vele kisten vonden zij een grijswitte massa, die de beenderen omgaf, als witte kaas uitzag en vettig aanvoelde. Zij gaven haar den naam adipocire (van adeps = vet en cera = was).

Later heeft deze stof bij herhaling het onderwerp van wetenschappelijk onderzoek uitgemaakt, vooral toen het bleek, dat haar voorkomen in graven niet tot de zeldzaamheden behoort. Uit Oostenrijk, Saksen en Silezië kwamen uitvoerige berichten. Van 79 lijken vertoonden b.v. 16 lijkwas-vorming; 4 daarvan waren eerst ongeveer 3 jaar, de overigen van 7—21 jaar begraven geweest.

In Saksen en Silezië is het voorgekomen, dat het lijkwas door de doodgravers als walschot werd verkocht.

Wie in het onderwerp belang stelt neme Bd. 83 van het Archiv für Hygiëne ter hand, waarin een belangrijk opstel voorzien van leerrijke afbeddingen voorkomt, betrekking hebbende op den inhoud van graven te Zürich, die moesten worden geruimd. De aard der kerkhofaarde en de stand van het grondwater zijn van grooten invloed op de vorming van lijkwas. Klei en leem, die water tegenhouden en luchttoevoer bdemmeren, bevorderen de vervetting; zand en grint, die het water doortocht verleenen en de toetreding van lucht mogelijk maken, zullen de normale ontbinding bevorderen.

Al zijn hier slechts voorbedden genoemd, die aan buitenlandsche berichten zijn ontleend, zoo denke men niet, dat in Nederland de lijkwas-vorming niet voorkomt. Bij opgravingen, die ik bijwoonde, heb ik zelf gelegenheid gehad de volledige vervetting van een hjk waar te nemen. Met schrik en verwondering werd daar bij het openen der kist het goed herkenbare, doch vreesdijk vervormde lijk eener reeds eenigè jaren begraven vrouw blootgelegd. Dat er onder deze omstandigheden van het „tot stof zult gij terugkeeren" binnen een betrekkelijk kort tijdsverloop geen sprake kan zijn, is duidelijk.

Van verschillende Nederlandsche kerkhoven hoorde ik slechte berichten. Het kerkhof te Oostwoud, waarover de arts Demhers in het Tijdschrift voor Geneeskunde schreef, staat in dit opzicht niet alleen. De hygiëne der kerkhoven moet het onderspit delven in vergelijking met die van het crematorium.

Van geheel anderen aard is het verschijnsel der mumificatie. Wanneer een lijk aan snelle uitdroging is blootgesteld en de uitwendige invloeden het rottingsproces tegenwerken kunnen de lijken opvallend goed bewaard blijven. Dat wil zeggen, de uitwendige vorm verandert weinig, de' huidkleur is bruinachtig, de huid zelf perkamentachtig

Sluiten