Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

60

structiewaarde-berekening goed doen alsnog een behoorlijke afschrijving bij zijn berekeningen in aanmerking te nemen. Scheepvaart-Maatschappijen schrijven soms veel te veel af op haar vloot. Zoo was de gemiddelde balanswaarde van de vloot van de Holland-Amerika-Lijn in 1918 ƒ 7.— per bruto ton bij een gemiddelden ouderdom van 9.3 jaar Berekent men de reconstructiewaarde met behulp van de prijzen, die voor nieuwbouw in 1918 betaald werden en schrijft men daarop ± 56% af, wat met eene normale jaarlijksche afschrijving overeenkomt, dan krijgt men een veel juistere vermogenswaarde-berekening, dan door slechts kapitaal plus open reserves in aanmerking te nemen. Ook zou men de reconstructiewaarde van schepen kunnen bepalen met behulp van de prijzen, die schepen in openbare veilingen opbrengen.

Voor de voorraden zou deze waarde eveneens bepaald moeten worden. Dit brengt groote moeilijkheden mede, aangezien de voorraad zooveel korter in de oude onderneming verblijft dan het vaste actief, zoodat een beweging van het index-cijfer geen invloed behoeft te hebben op den voorraad, die misschien maar een maand in de onderneming blijft; zoodat veelal geen andere weg open staat dan de balanswaarde over te nemen.

De balanswaarde van de voorraden zal in het algemeen ook niet zooveel van de reconstructiewaarde verschillen als het vaste actief, juist omdat de voorraden de onderneming zoo vlug weer verlaten.

Voorts komen er vele andere belansposten voor, welker reconstructiewaarde voor den buitenstaander niet te schatten zijn. Bijvoorbeeld de post deelnemingen in andere ondernemingen, die tegenwoordig zoo veelvuldig optreedt, is vaak een puzzle. Schatten is hier de eenige uitweg; blijkt ook dit niet mogelijk en neemt de post deelemingen in andere ondernemingen een groote plaats in onder het actief der onderneming, dan is het berekenen van de vermogenswaarde uitgesloten. Hetzelfde doet zich voor bij bankinstellingen, die niet volwaardige debiteuren toch tot de volle waarde opvoeren, althans niet doen uitkomen, in welke mate met het risico rekening is gehouden.

Het immaterieele actief dient, theoretisch beschouwd, ook op reconstructiewaarde geschat te worden, doch slechts voor zoover het ook nieuwe concurrenten zou belasten, zooals de post oprichtingskosten; in geen geval evenwel het recht op den

Sluiten