Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

98

move in inverse ratio to the former and in direct ratio to the later....".

We kunnen ons geenszins hiermede vereenigen, de rente op de geldmarkt is zeker geen „fundamental factor" van den koers, althans niet van dien van aandeelen. De grafische voorstelling, waarmede Hansen zijn bewering staaft, loopt slechts over vijf abnormale jaren (1915—1919) welke periode bovendien te kort is om daaraan veel bewijskracht toe te kennen.

Over de ervaring in de jaren 1907 en 1908 zegt professor Joseph Esslen1):

„Unter anderen Umstanden ist ein so hoher Zinsfuss für kurzfristigen Kredit, wie er damals in Wallstreet herrschte, geeignet, die Spekulationslust einzuschranken. Es beteiligten sich aber einige der reichsten und machtigsten amerikanischen Kapitalisten an der Spekulation ih Börsenwerten; ihrem Einfluss auf die Banken und die Staatsverwaltung gelang es, die Schwierigkeiten, die aus dem Geldmangel entsprangen, zu überwinden und die nötigen Mittel zu beschaffen".

Ook in Amerika met zijn veel grootere schommelingen in renten voor kort crediet dan in Nederland, blijken dus de uitzonderingen op den door Hansen geformuleerden regel nog wel voor te komen, n.1. dat de effectenkoersen en de renten van kort crediet stijgen.

Hoe staat het nu in Nederland?2) We voegen hier een staat bij van de gemiddelde jaarlijksche prolongatie-rente en het rendement van de 21lt% N. W. S. (certificaten).

De gemiddelde prolongatie-rente is de som van alle noteeringen, gedeeld door het aantal noteeringen. Aan het rendement van N. W. S. ligt de helft van de som van den hoogsten plus den laagsten koers ten grondslag. Alle provisies zijn verwaarloosd.

*) Konjunctur and Geldmarkt 1902—1908, blz. 196.

2) Zie ook Prof. Dr. A. Verrijn Stuart. Inleiding tot de beoefening der statistiek, 3e deel, 2e stuk, le druk, blz. 399.

Sluiten