Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

100

Van 1900—1914, jaren met betrekkelijk zwak schommelende normaalrente, is de prolongatie-rente iets hooger dan het rendement van 2Vi% N. W. S., n.1. gemiddeld voor de 2XU% N. W. S. 3.32% en voor de prolongatierente 3.78%. Het rendementsverschil is niet zeer groot, slechts de twee abnormale jaren 1906 en 1907 (geldcrisis) gaven groote rendementsverschillen te zien. De koersschommelingen waren niet zoo groot van het eene jaar op het andere om een scherpe scheiding tusschen geld en kapitaalmarkt te rechtvaardigen. Het risico om kort geld in N. W. S. te beleggen, was gering. Toch zal dit niet veel voorgekomen zijn daar de prolongatierente in het algemeen hooger was. Eerder zal men zijn gelden op de geldmarkt uitgezet hebben om van de hoogere rente te profiteeren.

In de oorlogsjaren en de jaren daarna, met hun enorme schommelingen in normaalrenten, wordt de scheiding tusschen geldmarkt en kapitaalmarkt veel scherper dan vroeger. Zij, die geld op korten termijn moeten beleggen, durven niet tot aankoop over te gaan van obligaties, die wel is waar momenteel meer rente geven, maar waarbij men de kans loopt, bij stijgenden rentestand slechts met verlies te kunnen verkoopen. Het gemiddelde rendement van 2rU% N. W. S. was gedurende 1915—23 4.65%; de gemiddelde prolongatie-rente slechts 3.56%.

We achten deze groote afwijking slechts door abnormale oorzaken verklaarbaar, n.1. door de buitensporige liquiditeit van vele ondernemingen in de oorlogsjaren, wegens het vrijwel ontbreken van voorraden, het toevloeien van buitenlandsche saldi in de jaren na 1920, wantrouwen in het financieel beleid van den Nederlandschen Staat, vrees voor inflatie kort daarna en daardoor scherpe scheiding tusschen geld- en kapitaalmarkt.

Toch is er wel een zwakke tendenz waar te nemen, die de koersen van de N. W. S. in de jaren 1900—1923 in omgekeerde richting dringt als de prolongatie-rente. Die tendenz wordt echter vele malen onderbroken.

Interessant is de vraag, hoe groot de afwijkingen geweest zijn van den gemiddelden jaarlijkschen koers van de 2V»% N. W. S., die zich in den loop der laatste 24 jaar bij een bepaalde gemiddelde jaarlijksche prolongatierente voordeden. Zoo blijkt uit den hierna afgedrukten staat, dat de gemiddelde jaarlijksche prolongatie-rente in de jaren 1900—1923 vijf maal noteerde tusschen 3l/2 en 3s/4% en de gemiddelde koers

Sluiten