Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

8

eniging kan wél schadevergoeding krijgen, als ze schade kan bewijzen; maar dat kan ze immers niet. Want natuurschoon is niet op geld waardeerbaar, tenminste niet zolang het niet voor vreemdelingenverkeer wordt uitgebuit. Een lager kollege pro* beert wel eens een enkele keer in zulke gevallen werkelik hulp te verlenen, maar de Hoge Raad weigert hardnekkig daaraan mee te doen8). En waarom? Soms omdat een aloude rechtsopvatting in Nederland er zich tegen verzet? Volstrekt niet. Om dat te zien, behoeft men maar even te lezen in Fockema Andreae, die voor het Oudvaderlandse recht zegt:

„Wilde de verkoper de handelingen niet verrichten, die

nodig waren, de rechter verrichtte ze desgevraagd in zijn plaats"7). Is er dan soms in onze wetgeving in 1838 een be* wuste koersverandering gekomen? Integendeel, men heeft eenvoudig een artikel van de Code Civil overgenomen, onder welks werking de reële exekutie steeds werd toegepast8). Maar waarom dan wel? Dit vraagt ook Suyling9). en het, lang niet vóór*juridiese, antwoord luidt: Romanisme.

Ons hoogste rechtskollege weigert immers alleen reële exekutie, als het gaat om handhaving van persoonlike, niet als het geldt handhaving van zakelike rechten. En deze onder* scheiding, hoe mooi modern ze er, vooral in de gewijzigde vorm van relatieve en absolute rechten, ook uitziet, is Ro* manisties. Niet, dat ze in het Romeinse recht tot en met Iustinianus in het sisteem zo scherp naar voren komt. Maar uit het Romeinse recht heeft de dogmatiek toch de tegenstel* ling gehaald en uit het Romeinse recht is het vreemde gevolg, dat onze jurisprudentie er aan verbindt, te verklaren. Want deze indeling der rechten gaat ten slotte terug op een Romeinse indeling der rechtsvorderingen: het zakelik recht op de actio in rem, het persoonlike op de actio in personam10). Bij de eerste sprak de eiser: „Deze zaak is van mij", zonder de naam van de tegenstander te noemen; bij de andere be* weerde hij, dat deze of gene persoon iets moest presteren. De namen, „vorderingen op een zaak gericht" tegenover „vor* dering tegen een persoon gericht"; en ook de gesproken for* mules, vindt men terug in de gangbare moderne bewering, dat een zakelik recht een onmiddellike heerschappij over de zaak, een persoonlik recht slechts een recht op prestatie tegenover een persoon geeft. De genoemde aktieindeling nu, was in het Romeinse recht natuurlik gegroeid en ze werkte

Sluiten