Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

11

Indies recht gekonstateerd te hebben, het Oudhelleense recht -wat nader bekijken op dit punt, dan zien wij daar nog iets anders, dan alleen het ontbreken van het begrip subjektief recht en dus ook van een term daarvoor M). Niet alleen wordt daar een zaak „van iemand" door verpanding of verhypothe* kering of krijgen in erfpacht, evengoed als door koop of schenking ™). Maar ook een schuldeiser, die „vervangbare zaken te vorderen heeft", zoals de moderne Romanistiesé teorie het zou uitdrukken, zegt in de Oudhelleense rechts* bronnen dat „die zaken van hem zijn". Dit verschijnsel valt te konstateren, waar Demosthenes in de bekende procedure tegen zijn voogden het heeft over geldsommen, door zijn vader bestemd tot bruidschat voor zijn moeder en door de man, die voor haar als echtgenoot in dat tweede huwelik was uitgekozen, een der voogden, ook werkelik geind, maar niet terugbetaald, toen dit tweede huwelik niet doorging28). Ook daar, waar het gaat om geleend geld, bij verbruikleen ") dus, is in de Griekse rechtsgedachte het geld niet „van de lener", maar „van de uitlener". Ja, zelfs waar bij uitgaande bodemerij met de geleende gelden door de bodemerijnemer waren zijn gekocht en, na verkoop wederom van deze waren, uit de op* brengst daarvan, door hem geld aan derden wordt geleend, beschouwt de bodemerijgever toch deze laatste verbruikleen nog als gedaan „met zijn geld" 28). Ook in het bankwezen zien wij hetzelfde verschijnsel: zowel de bankier, die aan de ver* tegenwoordiger van zijn kliënt geld voorschiet om vracht te betalen2"), als, omgekeerd, de kliënt, die geld in rekening* courant bij een bankier heeft staanso), beschouwen deze gel* den als „de hunne".

Het behoeft geen betoog, dat in al deze gevallen in het Romeinse en in het moderne recht de schuldeisers niet van „het hunne" zouden kunnen spreken in juridies gangbare terminologie. En nu werpe men mij niet tegen, dat de aan* gehaalde Griekse uitdrukkingswijzen juridies inkórrekt, leke* taal zijn, zoals ook nu nog een leek kan zeggen, dat een ban* kier, die failliet is en in wiens faillissement slechts luttele percenten worden uitgekeerd: „Van mijn geld mooi weer heeft gespeeld". Deze tegenwerping gaat niet op. Want de tijd is voorbij, dat men wat niet Romeins was, als niet juridies kon beschouwen; en speciaal in het Griekse recht krijgen wij te maken met zulk een fijndoordachte en soepele rechtstaal

Sluiten