Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

14

uiteengezet en ik behoef er hier niet op in te gaan. Maar ik kan toch niet nalaten in dit verband erop te wijzen, dat de Hoge Raad met dit arrest, bewust of onbewust, prakties heeft moeten toegeven, dat ook hier het begrip subjektief recht de grenzen van zijn bruikbaarheid heeft overschreden. Alleen is het jammer, hoewel te verwachten, dat hij met het opgeven der onbruikbare dogmatiek, niet probeerde een begin ook maar van een betere dogmatiek en dus een werkelike moti* vering te geven, maar zich vergenoegde met te spreken van een „rechtsplicht", wat niets zegt, immers zo het wel iets zei, eenvoudig de keerzijde van het subjektieve recht zou be* tekenen. En men verwijte mij niet, dat ook ik hier niets anders heb gedaan dan afbreken; want dit verwijt kan mij niet tref* fen. Ik oefende hier rechtshistoriese kritiek en niets meer en ben mij van het negatieve karakter mijner beweringen bewust, maar de Hoge Raad verkeerde in de naieve mening, dat hij met zijn arrest werkelik recht sprak.

Wanneer ik nu tot mijn punt van uitgang, de reële exekutie terugkeer, dan valt van daar nog een Romanisme op te sporen en wel een, dat zeer diep zit. Wees gerust, ik zal hier niet proberen het volledig uit te graven en bloot te leggen. Zulk een archaeologiese expeditie zou te veel tijd nemen; ik wil het Romanisme alleen maar aanboren. Wanneer men let op de motivering, waarmee de Hoge Raad de reële exekutie bij koop van onroerend goed verwerpt, dan treft het, dat hij daarin de hele reële exekutie en daarmee samenhangende vraag* stukken geheel negeert. Het enige, wat wij krijgen, zijn taal* kundige beschouwingen over het woord „akte" in artikel 671 B. W. en verder de bewering, dat noch in dit, noch in enig ander wetsartikel den rechter de bevoegdheid is verleend zijn gewijsde, waarbij koop en verkoop is gekonstateerd, te doen strekken tot akte ter overschrijving, als en met de gevolgen in art. 671 B. W. bedoeld "). En zo blijkt bij de meeste be* langrijke kwesties de Hoge Raad de kwesties zelf te elimi* neren en zijn beslissing te gronden op enige woorden en artikelen der wet. Zo is het bij het beroemde arrest, dat prakties de echtscheiding bij onderling goedvinden invoerde in 1883; men zoekt daar vergeefs naar de belangrijke kwesties, die vooral Asser, Hamaker en Anema hierbij bespreken41) en moet zich vergenoegen met de formele vergelijking van een paar bewijsartikelen uit het B. W.42). En in de konstante

Sluiten