Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

15

jurisprudentie **) over de verbindbaarheid van traktaten voor rechter en onderdanen zonder aparte invoering, werkt de Hoge Raad alleen met vergelijking en kombinatie van een paar grondwetsartikelen, zodat men zich afvraagt of niet eigenlik bij toeval in Nederland de juiste opvatting het heeft gewonnen. En telkens en telkens stuit men op ditzelfde ver* schijnsel; het is al mooi als men in een motivering leest van de geschiedenis van een artikel, wat trouwens dan gewoonlik alleen betekent, dat in plaats van woorden uit het B. W., woorden uit de Code Civil of uit het Wetboek Napoleon in* gericht voor het Koninkrijk Holland beschouwd worden**).

En ook dit alles is weer Romanisme, een Romanisme, dat onze hele rechtswetenschap doorwoekert; het is de opvat* ting, dat men het recht leert kennen, dat men rechtspreekt, wanneer men „de wet uitlegt". Sommige biezondere uitingen van dit Romanisme zijn onmiddellik terug te verklaren uit bepaalde plaatsen van de Romeinse bronnen. Zo herinnert de uitspraak van Simons*5): „Een redactiefout, waardoor de wetgever zich anders heeft uitgedrukt, dan hij bedoelde, kan slechts door den wetgever worden verbeterd", aan de woor* den uit de oekase van de Byzantijnse keizer Iustinianus, die, vrij vertaald, luiden: „de autoriteit mijner Majesteit, aan wie alleen het staat wetten te scheppen en uit te leggen"4e). De moderne uitspraak is natuurlik niet direkt op deze keizerlike opgeblazenheid geinspireerd; er liggen eeuwen van Ro* manisme tussen, die de traditie bewaarden; maar zij gaat er zonder twijfel op terug. En de stelling leidt bijvoorbeeld bij artikel 5 van het Wetboek van Strafrecht, waar een alinea bij de uitgave der wet niet*inspringend is gemaakt, terwijl inspringen bedoeld was, tot de vreemdste konsekwenties47).

Meestal echter is dit Romanisme in zijn uitingen niet zo makkelik tot bepaalde teksten te herleiden, maar ligt het dieper verscholen. En het uit zich dan heel algemeen in de m e t o d e, in dat vreemde stel „interpretatieregelen", die men in het begin der leerboeken aantreft; het uit zich in de vreemde arresten en ongewenste „konsekwenties" der doe* trine; het uit zich, zoals ik zeide, in de opvatting, dat men de wet zelf moet uitleggen, alsof men niet juist i n die dode, kleurloze en smakeloze wet iets heeft moeten leggen om recht te verkrijgen en alsof niet juist de rechtswetenschap begon, wanneer men wetenschappelik en objektief wil nagaan, wat

Sluiten