Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

22

daarvoor reeds de vaste grond gelegd en van mijn kant hoop ik, door Uw meerdere ervaring in de zaken der fakulteit te erkennen en te aanvaarden, bij te dragen tot een uitstekende verhouding, die het leven van de hoogleraar veraangenaamt en het onderwijs ten goede komt. Dat niet alleen in de fakul* teit maar ook daarbuiten de verstandhouding goed en het ver* keer aan deze Universiteit levendig is, werd mij van alle kanten verzekerd. Welnu, de herinnering aan mijn studente* tijd met zijn voortdurende omgang met veel niet*juridiese khïbgenoten — waarvan ik hier er enkele, naast de juridiese, tot mijn grote vreugde kan begroeten — deze herinnering geeft mij de moed U, leden der andere fakulteiten, te ver* zekeren, dat mijn belangstelling en bewonderende waar* dering zich niet alleen zullen bepalen tot de zaken van mijn eigen fakulteit.

Waarde Van Oven! U zult vanmiddag telkens bekende klanken hebben vernomen en verwantschap van meningen bij U en bij mij hebben gekonstateerd, al wil ik hiermee niet zeggen, dat U alles, wat ik gezegd heb en waarvan U mis* schien veel als loslippigheid of overdrijving beschouwde, mede voor Uw rekening heeft te nemen. Onverwacht zal voor U die verwantschap niet geweest zijn. Wij konstateer* den reeds een paar maanden geleden, hoe U en ik, van ver* schillende kanten komend, elkaar zeer dicht waren genaderd, tot op dat ogenblik onbewust van eikaars nabijheid. Onbe* wust! dit releveer ik alleen, omdat door ons onafhankelik vinden van dezelfde dingen, de kans een flink aantal percen* ten groter wordt, dat wij niet hallucineren, wanneer wij overal Romanismen menen te zien. Zal dus wetenschappelik door Uw vertrek en mijn komst de richting van het onderwijs niet veel veranderen, een andere vraag is, of ik, paedagogies gesproken, het onderwijs op het peil zal kunnen houden, waarop U het bracht. Uw lof werd mij enthousiast verkon* digd tot in mijn Utrechtse repetitorskamer en er zijn wel ogenblikken geweest, waarop ik dacht, dat men eigenlik beter gedaan had, maar geen nieuwe hoogleraar te benoemen, om dezelfde reden als die, welke de Atheners opgaven, toen zij na Kodros het koningschap afschaften.

Maar ik sta hier nu eenmaal en ik zal het proberen. Of het mij lukt, daarover zult U, Dames en Heren Studenten, ten slotte het vonnis wijzen, waarvan geen beroep mogelik is.

Sluiten