Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

28

leer verkondigen; zijn „Antizipierung" zou bij gebrek aan wettelike regeling immers niet opgaan.

Zie voor de kwestie der subjekten van het volkenrecht in het algemeen de Louter Le droit international publie positif (1920). § 42, 43.

*) Bijvoorbeeld in de beraadslagingen in de 6de kommissie der Assemblée van 1924 over de enquête over de slavernij en verwante instellingen. Men denke ook aan de regeling der minderhedenbescherming.

87) Vergelijk Josephus Jitta De wederopbouw van het internationale recht (1919), in het biezonder bl. 216: Het internationaal pubhek recht is dan niets anders dan het publiek recht, bezien van het standpunt eener rechtsgemeenschap die breeder is dan één staat en in hare grootste uitgebreidheid het geheele menschelijk geslacht omvat; het internationaal privaatrecht is het privaatrecht van hetzelfde breedere standpunt bezien, bl. 217: Die gemeenschap der Staten is te eng .... Het omvat ook verhoudingen tusschen Staten en menschen en verhoudingen tusschen menschen onderling. Vergelijk ook in dezelfde zin Hamaker Verspreide geschriften VI.

38) Zie b.v. H. R. 9. 11. '17 W. 10197 (Hoetink Arresten over burgerlijk recht no. 78 bl. 285): dat blijkens art. 1407 ... . als een privaatrecht te beschouwen is het recht om niet door toedoen van een ander lichamelijk letsel te ondergaan.

Zie ook Hof Leeuwarden, niet uitdrukkelik op dit punt gedesavoueerd door de H. R. 13. 6. '13 W. 9531 (Hoetink no. 16 bl. 56 en 59) waarbij aangenomen wordt een recht van de houder van enig goed, om daarvan niet tegen zijn wil te worden verdreven.

Vergelijk verder H. R. 28. 11. '13 W. 9574 (Hoetink no. 19 bl. 70 en 71) waar gesproken wordt van een „zakelijk recht van openbaren weg", toekomend aan een gemeente en te onderscheiden van „de gelegenheid, die het publiek heeft om (den weg) als openbaren weg te gebruiken."

39) W. 11293.

») H. R. 23. 6. '99 W. 7302 (Hoetink no. 28 bl. 115). Sommige lagere kolleges hebben betere gewoontes; zie b.v. Rb. A'dam 12. 11. '17 N. J. 1918 bl. 538: reële exekutie. Motivering geheel als H. R. bij Rb. Haag 21. 10. '20 N. J. 1921 bl. 33 en 34.

«) Zie Asser-Scholten IB (1923) bl. 327 en 328, Asser-Anema V (1915) bl. 401 tot 403.

42) H. R. 22. 6. '83 W. 4924 (Hoetink, no. 8, bl 30). De bewering, dat bekentenis „bewijs" is heeft de H. R. impUcite opgegeven in zijn arrest van 7. 11. '13 N. J. 1913 bl. 1221 (Hoetink no. 6 bl. 23) waar hij zegt, dat bekentenis (hij spreekt van erkentenis) van een feit bewijs overbodig maakt.

4S) Vergelijk de in noot 35 aangehaalde plaats van Struycken. De jurisprudentie loopt van 1856—1908.

**) H. R. 23. 12. '98 W. 7223 (Hoetink no. 2); 9. 12. '10 W. 9111 (Hoetink no. 3); 3. 5. '18 N. J, 1918 bl. 516 (Hoetink no, 5); hier wel Oud-Hollands recht, maar alleen voorzover het „tot uiting komt" in

Sluiten